Driekoningen! Driekoningen!
Geef mij unne nieuwen hoed.
Wie kent het liedje niet? Driekoningen is van oudsher een christelijk feest dat omgeven is door tradities. Kinderen die verkleed gaan als Caspar, Melchior en Balthasar trekken langs de huizen om te gaan zingen… en schooien. Want achter iedere deur wacht een traktatie. De traditie is eeuwenoud, maar ook zeker niet onomstreden. De schepenbank van de stad ’s-Hertogenbosch verordonneerde op 29 december 1745 dat niemand, kinderen noch volwassenen, langs de huizen mochten gaan. Zeker niet als daarbij het gezicht van koning Melchior (‘de moor’) zwart was gemaakt en de koning dus onherkenbaar. Ook het dragen van lampions, vaak in de vorm van sterren, werd verboden vanwege het brandgevaar. Degenen die betrapt werden stond een boete van drie gulden te wachten, en als ze niet uit de stad zelf kwamen konden ze zelfs rekening houden met acht dagen gevangenisstraf. Het bleek namelijk dat veel vreemdelingen met driekoningen hun kans grepen om in de stad te bedelen. Ook op nieuwjaarsdag gingen veel arme mensen zingend langs de deuren om te bedelen.
In Oirschot trokken kinderen en jongeren langs de deuren om liedjes te zingen. Ze gingen langs ouders, grootouders, peetouders, buren en bekenden, en werden beloond met fruit, wafels of koek en soms een cent of een stuiver. Wie niets gaf kon rekenen op een plagerige versregel als afsluiting van het lied.
In andere dorpen werden op oudjaar karren op daken gezet, deuren geblokkeerd of hekken verplaatst, onschuldige streken die op nieuwjaarsdag werden vergeven.
En dan terug naar het liedje. In de stad Den Bosch kregen ambtenaren op driekoningen allemaal een nieuwe hoed bij gelegenheid van hun jaarlijkse herbenoeming. Het liedje was dus vooral hatelijk bedoeld. Spotliedjes waren onderdeel van de traditie. Volgens Gerard Rooijakkers slaat de laatste regel van het liedje (Piep zeet de muis in ’t zomerhuis) op de Bossche (gereformeerde) schepen Gerardus Piper, die door veel inwoners verantwoordelijk werd gehouden voor antikatholieke maatregelen.
Op veel plaatsen in de Meierij werden rond nieuwjaar schietgeweren of bussen afgeschoten. De vorster van Bergeijk loste zelfs een schot met zijn pistool voor iedereen van wie hij een fooi kon verwachten. Ook werden er vreugdevuren of kleine brandstapels aangestoken, en maakten jongeren lawaai met pannendeksels, ratels en zwepen. Die traditie heeft zelfs een veel oudere herkomst: al in de Germaanse tijd dacht men dat lawaai geesten en ongeluk zou verjagen. Net als vuurwerk!
Anton Neggers,
Voorzitter
