128
128

Geschiedenis
Tot het midden van de 18e eeuw is de pastorie gevestigd geweest in diverse panden, onder andere in de Molenstraat. In 1763 bouwde pastoor-deken Petrus van Helmont een nieuwe pastorie aan de Nieuwstraat 39-41. Dit huis lag vlak bij de schuurkerk die van 1677 tot 1800 als parochiekerk diende. Rond 1800 mochten de katholieken uit hun schuilkerk tevoorschijn komen en was het weer geoorloofd om katholiek te zijn. In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie hersteld en gingen overal weer parochies met pastorieën functioneren. Het kerkbestuur ruilde in dat jaar de pastorie tegen het huis van notaris De Jong aan de Nieuwstraat 17a. Dit huis uit circa 1750, met het karakteristieke schilddak, lag voor pastoor De Bont dichter bij de kerk. Architect Van Tulder uit Tilburg ontwierp vrijwel onmiddellijk een herenhuis en bouwde dit in 1854 tegen de oude pastorie aan (Nieuwstraat 17). Door deze aanbouw waren er meer kamers voor pastoor, kapelaans, huishoudster en huishoudelijk personeel. Ook werd er een koetshuis voor de koets van de pastoor aangebouwd.

Het leven op de pastorie
Rond 1952 was deken De Vries pastoor van Oirschot. Hij woonde in de pastorie samen met twee kapelaans. De pastoor bepaalde de regels van het huis. Pastoor, kapelaans en huishoudster (de ‘pastoorsmeid’) hadden ieder een eigen zitkamer en een eigen slaapkamer. Daarnaast waren er vaak een of twee inwonende jonge meisjes, die in de huishouding meewerkten om het vak te leren. De helft van de huidige koorzaal was de gezamenlijke zitkamer voor de heren en kon door de schuifwand worden vergroot voor grote bijeenkomsten als dekenale vergaderingen en feestelijke diners met zeer veel gangen, uitgelezen wijnen, en sigaren en Franse cognac toe. De kelder onder de pastorie is speciaal ingericht om de goede wijn te bewaren en zo nog beter te worden. Pastoor en kapelaans hadden hun eigen voorraad wijn en ook hun eigen kolen in de kelder om de kachels te stoken.

141
141

De voormalige Latijnse school is een in opzet 16e eeuws dwarshuis, dat waarschijnlijk tevens de scholaster en kanunniken onderdak bood. Toen door de val van ‘s-Hertogenbosch in 1629 veel katholieke leerlingen naar Oirschot trokken, werd het pand ingrijpend verbouwd. Het resultaat was een tweelaags gebouw met hoog zadeldak tussen trapgevels, voorzien van jaartalankers, geprofileerde korfbogen, boogtrommels met metselmozaïeken en speldagen in Maniëristische vormen. De Latijnse school van Oirschot is als gebouw goed bewaard gebleven.

Volgens de lokale historicus J. Lijten heeft de Oirschotse Latijnse school vermoedelijk reeds in de Karolingische tijd een schoolopleiding verzorgd. Het befaamde kapittel in Oirschot zou zijn ontstaan uit een klerkencollege dat gewoonlijk het onderwijs verzorgde. Vanaf de dertiende eeuw spreken de bronnen over de Oirschotse school:

‘Onder het bestuur van het kapittel en diens scholaster werd die opleiding gegeven in twee afdelingen, totdat ze in de onrustige tijd van de zestiende eeuw tot één afdeling terugviel, terwijl een tweede afdeling als dringend gewenst beschouwd bleef worden. Na een korte hoogbloei van 1629 tot 1648, waarin de school onder het dorpsbestuur en de leiding van bekwame rectoren vier afdelingen telde, werd ze enige tijd als melkkoetje gebruikt door enkele profiteurs, om in 1678 een stille dood te sterven. Ons rest nog het gebouw, waarin de school haar hoogbloei beleefde en dat Oirschot in respectvolle piëteit voor de toewijding van het voorgeslacht als een van zijn kostbaarste monumenten dient te beschouwen.’

Het aantal leerlingen zal na 1652 steeds erg klein geweest zijn, zodat het niet aanlokkelijk was, om een van de grote schoollokalen van de Latijnse school te gebruiken. Volgens een verklaring ten overstaan van de schepenen d.d. 12-03-1674 had men tot leslokaal voor dit kleine groepje beslag gelegd op de sacristie van de Sint-Petrus-kerk aan de kant van de markt, waarin ook een aparte buitendeur werd aangebracht. Het Franse bezettingsleger liet in 1672 deze deur echter dichtmetselen, waarna de lessen aan huis werden gegeven. De dichtgemetselde deur is nog te zien. Men kan daaraan ook zien, dat zij niet oorspronkelijk was en blijkbaar apart voor de Latijnse school was aangebracht. De uitspraak, dat het Oirschotse dorpsarchief eeuwenlang ‘op de Latijnse school’ werd bewaard, zal men dus letterlijk moeten nemen. Het archief werd bewaard in de kamer juist boven het vertrek, waar in de vervaljaren vóór 1672 de Latijnse school werd gehouden.

151
151

De grond aan de Koestraat waarop de brouwerij zou verrijzen was in 1659 in handen van Jan van Elmpt, die gelegenheidsbrouwer was. Een dergelijke brouwer tapte zijn zelfgebrouwen bier in de herberg die hij bezat. In 1672 verkocht hij een deel van de grond aan Arnold Fey, die woonde in het Hof van Solms, dat naast deze grond was gelegen. De grond werd in 1675 overgenomen door Jans schoonzoon Jan Aerts van Croonenborch, die er een huis bouwde. Zijn broer Daniel Aerts van Croonenborch was eveneens gelegenheidsbrouwer. Toen beide broers de brouwerij van Jan overnamen, verkochten ze de grond en het huisje aan wijnhandelaar Adriaan van Riethoven, die er een fraai woonhuis met bedrijfsruimte bouwde dat in 1682 gereed kwam en ook nu nog bestaat. In 1699 werd het huis verkocht aan Gerit van Heumen, en het is daarna, soms via de vrouwelijke lijn, in de familie gebleven. Vermoedelijk is de bedrijfsruimte steeds als brouwerij in gebruik geweest. Een der dochters trouwde in 1730 met Cornelis Dieliszoon de Croon, die het bedrijf in 1777 op zijn naam kreeg. Omstreeks deze tijd werd de C door een K vervangen en sprak men van De Kroon.
Het aantal brouwers te Oirschot bedroeg ooit acht, waarvan er in 1900 nog vier over waren. In 1916 waren er nog twee brouwers. De concurrerende brouwer was Anthonie Somers van hotel-restaurant De Zwaan. De brouwerij werd in 1916 door De Kroon overgenomen. Via huwelijk kwam ook brouwerij De Doornboom te Middelbeers in bezit van De Kroon. Hier kwam een bottelarij en limonadefabriek.
In 1996 werd Brouwerij De Kroon voor de helft overgenomen door Bavaria uit het naburige Lieshout. Oorspronkelijk was de bedoeling om gezamenlijk sterker te staan en investeringskosten te kunnen dragen, maar in 1999 kwam de brouwerij geheel in handen van Bavaria. Er waren toen 20 medewerkers in dienst. De productie werd overgebracht naar Brouwerij Koningshoeven te Berkel-Enschot. De Oirschotse brouwerij werd in 2002 gesloten, waarmee een einde kwam aan een lange traditie.
De voormalig directeur, Gerard de Kroon, startte enige maanden later de Brouwerij Oirschots Bier in hetzelfde pand. Het merk Kroonbier mocht echter niet meer worden gevoerd. Sinds 2015 wordt op deze historische plek aan Koestraat weer bier gebrouwen door brouwerij Vandeoirsprong. Dit is tegenwoordig een kleine museumbrouwerij maar ook een horeca locatie.

166
166

De eerste plannen voor een kanaal dat Tilburg en Eindhoven met de Maas verbindt, dateren uit 1794, maar het duurde tot 1910 voor er werd begonnen met het graven. In 1794 werd ervan afgezien vanwege de dreigende Franse inval, de rivier de Maas functioneerde als verdedigingslinie. Vanaf 1813, na de Franse tijd en de start van het Koninkrijk der Nederlanden, lag de beslissing bij koning Willem I die een groot voorstander was van aanleg; evenwel leverden onderhandelingen met de Belgen problemen op. De route werd echter al wel met piketpaaltjes geplaatst. Opvolger koning Willem II leefde te kort om de zaak te bespoedigen, anderzijds kwam door het democratiseringsproces de besluitvorming steeds meer bij het Parlement te liggen. De laatste gaf meer prioriteit aan het graven van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. De behoefte aan een kanaal bleef onverkort bestaan. De Tilburgse textielindustrie, inmiddels gemechaniseerd met behulp van stoom, zocht mogelijkheden voor kolenaanvoer en afvoer van de producten. De toenmalige wegen leenden zich slecht voor aan- en afvoer van respectievelijk kolen en textiel, en de Tilburgse industriële lobby ging onverkort door. Maar ook een plan van koning Willem III werd door de regering niet overgenomen.
Begin 20e eeuw werden de plannen uiteindelijk concreet en op 16 september 1916 meerde het eerste schip in Tilburg aan; het duurde echter tot 1923 voordat het kanaal voltooid werd. Op 4 april van dat jaar werd het officieel geopend. Het kanaal leek op dat moment zijn functie al te verliezen vanwege de komst van het (vracht-)autoverkeer. Eerst in de jaren vijftig bewees het kanaal zijn nut, vooral voor aan- en doorvoer van zand, grind en kolen. Het kanaal heeft zijn nut bewezen vanwege de groei van het binnenvaartverkeer.

184
184

Meubelindustrie en symbool “De Grote Stoel”
Halfweg de negentiende eeuw trokken veel ambachtslieden naar Amerika. Zij dachten daar een beter bestaan te kunnen opbouwen, zowel sociaal als economisch. Het was de tijd van de industriële revolutie, waarin veel ambachtelijk werk verdween en de machines veel taken van de mens overnamen. Ook sociaal gezien was het voor velen een moeilijke tijd. Toch bloeide er in die tijd een zekere industrie op vanwege het voorhanden hebben van veel handwerklieden rond Oirschot.

Een reden waarom juist hier in de loop van de negentiende eeuw meubelfabrieken ontstonden was dat er op het platteland voldoende grondstoffen voorhanden waren en vooral omdat er veel arbeidskrachten beschikbaar waren voor het vele handwerk waarmee zij al vertrouwd waren of waarmee zij vanuit andere handwerkactiviteiten snel vertrouwd konden raken.
De lonen waren er overigens lager dan in de grote steden.

Amerikaanse stoel
Vooraf aan het ontstaan van die bloeiende meubelindustrie trokken, vanuit de ongunstige sociale en economische situatie voor ambachtslieden, in 1848 ook Cornelius Jacobus Teurlincx en Willem Meijers naar het verre Amerika. Tien jaar later kwamen ze weer terug naar Nederland met allerlei ideeën op meubelgebied. Zij streken neer in Oirschot en ontwikkelden daar een zogenaamde Amerikaanse stoel. De stoel was enigszins vergelijkbaar met de Brabantse knopstoel.

Een belangrijk verschil was dat de zitting niet van gevlochten materiaal was gemaakt maar uit hout bestond. Een ander verschil was dat de leuning van de Amerikaanse stoel iets achterover helde waardoor een prettiger zithouding werd verkregen.
Ook een duidelijk zichtbaar verschil was dat de stijlen van de rug bij het Amerikaanse model niet ononderbroken doorliepen naar de achterpoten. De poten en de rugleuning waren als afzonderlijke delen aan de houten zitting aangebracht.

Als symbool van de succesvolle meubelindustrie en als eerbewijs aan het vakmanschap van de ambachtslieden werd door de firma Meeuwis in 1958 een kolossale stoel gemaakt die nog steeds een toeristische trekpleister van Oirschot vormt

195
195

Een foto van de kapel van Heilige Eik uit het prille begin van de 20e eeuw. Het verhaal van deze kapel is bijzonder. In veel voorchristelijke religies namen grote, heilige bomen een belangrijke plaats in. En vaak behielden deze bomen en hun omgeving ook in de Christelijke tijd hun vereringsfunctie. Waarschijnlijk is dit ook het geval met de plek waar nu deze kapel staat.

Petrus Vladeraccus, bij wiens 400e sterfdag onlangs werd stilgestaan in een symposium, beschreef de mystieke gebeurtenis die aan de Mariaverering ten grondslag ligt. Op het zand in het riviertje de Beerze werd op 24 juni 1406, de patroondag van Sint-Jan de Doper, een Mariabeeldje met kind gevonden. Het werd in een eik geplaatst en al spoedig daarna door boeren en herders uit de buurt vereerd. Omdat de kerkelijke bestuurders vonden dan het beeld in een kerk thuishoorde, bracht men het beeldje een paar keer naar de kerk van Oostelbeers of Middelbeers, maar het stond daags daarna weer op onverklaarbare wijze in de eik. Toen heeft men daar een kapel gebouwd, eerst van hout, later van steen.

Op last van de Staten-Generaal moest de kapel in 1649 gesloopt worden en de eik gekapt. De devotie bleef echter en er werd regelmatig een noodkapel gebouwd van plaggen en stro. In 1854, toen het Katholicisme weer openlijk beleden mocht worden, herrees op de oude fundamenten een nieuwe stenen kapel, die in 1906 uitgebreid werd tot haar huidige omvang. De foto is echter van vlak vóór de uitbreiding. Die uitbreiding (zie foto 196) werd gerealiseerd met zuilen afkomstig van het oksaal van de Sint-Petruskerk, waarvan het zuidwestelijke deel van de toren in 1904 was ingestort. Het aanzien van de kapel is op de foto dus heel anders dan nu het geval is.

211
211

Eerste steenlegging H. Bernadettekerk op de 11e van de 11e in 1935.
Met de eigenlijke bouw werd begonnen op 31 augustus 1935. De eerste steen (kosten inclusief opschrift: ƒ 15,60, ongeveer €7,-) werd officieel gelegd op 11 november 1935. Eerst werd een kruis gewijd, dat een plaats kreeg op het punt waar het altaar in de kerk zou komen. Hierna werden de fundamenten gezegend en de steen waarin de oorkonde geborgen zat, die door alle genodigden was getekend. Vervolgens metselde pastoor Jan van Gestel de hoofdsteen dicht en daarna vast op de fundamenten.
Op de foto rechts van hem in witte gewaden staan zijn jongere heerbroers Carel en Driek van Gestel. Achter hem pastoor de Vries en links architect Alphons Rats. Op de achtergrond de genodigden en de nieuwe parochianen. Door deken van der Kamp, pastoor de Vries, burgemeester Ch. W.E.G. Janssens en vele anderen werd op de gedachtenissteen telkens nog een steen gemetseld. De ingemetselde eerste steen is nog steeds zichtbaar in de muur tussen de hoofdingang en pastorie.
In zijn toespraak bij die gelegenheid beloofde burgemeester Janssens weliswaar dat de gemeente de kosten van de verfraaiing rondom de kerk voor haar rekening zou nemen, maar wethouder Termeer trok hem meteen aan zijn jasje met de waarschuwing ‘dat hij te ver ging met beloften’, hetgeen dan ook later duidelijk zou blijken. Alleen het verzoek van het kerkbestuur om de waterloop achter het terrein van de kerk recht te laten maken, werd door de gemeente uitgevoerd en betaald. Het daarin aan te leggen schoor werd wel door de gemeente uitgevoerd, maar zij verhaalden de kosten op het kerkbestuur.

229
229

Unieke luchtfoto vanuit het noordwesten genomen, ca 1950. Het is een rentmeesterswoning met uitgebreid woongedeelte en een bewerkt strooien dak, dat toebehoorde aan de familie van Esch aan Ten Bergh in Spoordonk, met links de molenvoorslag nog vóór de kanalisering van rivier de Beerze, die plaatsvond eind jaren zestig van de vorige eeuw.

Duidelijk zijn de verschillende bijgebouwen te herkennen waarvan het bakhuisje en de grote schuur nog bewaard zijn gebleven, evenals de rentmeesterswoning zelf, dat tevens poortgebouw is voor Ten Bergh.

Ten Bergh was een kasteel dat zich rond ca 1350 bevond in het dal van de Beerze, één van de twee buitenplaatsen van de Heren van Oirschot: het andere was “Oud Beijsterveld” in buurtschap Notel. Omtrent de ontstaansgeschiedenis van dit ‘Huis’ is niet veel bekend, het zou oorspronkelijk een motteburcht zijn geweest die later werd uitgebreid. Het kasteel maakte deel uit van een complex waartoe ook de Spoordonkse watermolen, de rentmeesterswoning en diverse landerijen behoorden.

Men vermoedt dat het geheel in de 14e eeuw is gebouwd, maar uitsluitsel kan daar nog niet over gegeven worden. De heren en vrouwen van Oirschot hebben tot ca 1672 op Ten Bergh gewoond. In 1772 werd het verkocht, waarna het kasteel werd gesloopt, maar de rentmeesterswoning, die ook de functie van neerhuis van het kasteel had, bleef gespaard. Het neerhuis werd door water van de Beerze omgeven.

Later werd de familie van Esch, tevens eigenaar van de Spoordonkse Water molen, eigenaar van dit prachtige poortgebouw dat door velen nog steeds en abusievelijk ‘Huize Ten Bergh’ genoemd wordt.

339
339

Willem Francis Guljé is geboren te Helmond op 11-03-1777 als zoon van Petrus Franciscus Guljé en Johanna Catharina Coolen. Hij is op 30-12-1810 te Oirschot getrouwd met Jacoba Antonia van Baar, geboren te Sint-Oedenrode op 29-09-1787 als dochter van Jan Baptist van Baar en Anna Judith Wilhelmina de Laure. Willem Francis Guljé, kasteelheer te Asten, behoorde tot een welgestelde katholieke familie. Naast het kasteel waren er ook twee boerderijen, een windmolen en een perceel grasland. Het landgoed mat in totaal 68 hectare Hij kreeg jacht- en visrecht, en ook het tiendrecht. Voorts was hij gerechtigd om te Vlierden een watermolen te bouwen. Hij was kantonrechter in Oirschot, en bleef daar wonen. Het kasteel werd slechts als zomer- en jachtverblijf gebruikt. Hij zou de eerste van een nieuwe dynastie van kasteelheren worden.
Joannes Amandus Guljé was, evenals zijn vader, Willem Francis Guljé, een geziene huisarts te Oirschot en was belezen omtrent aardrijkskunde en geschiedenis. Toen hij kasteelheer van Asten was, in 1862, werd het tiendrecht afgekocht door een Tiendcommissie. Hij wilde dat recht echter alleen tegen een buitensporig hoog bedrag afkopen, waarop de commissie hem een heerlijke maaltijd aanbood, overvloedig begoten met wijn. Daarbij tekende hij terloops het afkoopcontract, een daad waarvan hij de volgende ochtend veel spijt had. Daarom kwam hij nooit meer in Asten en heeft nooit meer in zijn bezit geïnvesteerd. Joannes Amandus Guljé was ongehuwd. Na zijn dood kwam het bezit aan zijn zus, Maria Judith Guljé.