001
001

Het Boterkerkje is ongeveer van het jaar 1120 en gebouwd door het Kapittel van Oirschot. Het werd toen het Maria-kerkje genoemd. In de 13e eeuw werd er op de plek van de huidige basiliek een grote kerk gebouw en werd het Mariakerkje waarschijnlijk als kapel gebruikt. Vanaf de 1648 (reformatie) werd het niet meer als kapel gebruikt, maar als klokkengieterij en opslagplaats van onder andere boter. Vanaf 1799 werd het in gebruik genomen als kerk door de gereformeerde kerk. De afbeelding is gemaakt door Anton Kruijsen en geschonken aan het Kruysenhuis door de erven van Sip Soethout.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Anton Kruijsen was de zoon van vader Jan Kruijsen (plaatje 332) (1874-1938) die gehuwd was met Barbara van Dijk.(1878-1915) Het gezin van Jan had 16 kinderen waarvan Anton de oudste was. Hij werd in Boxtel geboren op 4 maart 1898 en overleed op 4 april 1977 in zijn geliefde Chartres (Frankrijk).
Wij, mijn echtgenote Anneke en ik, zijn bij hem en Loekie een paar keer in Chartres geweest.
Wij hebben zelfs in Chartres geslapen waarbij Loekie bemiddeld heeft. Ook hebben wij gecorrespondeerd en na het overlijden van Anton contact met Loekie onderhouden.
In juni 1976 schreef hij nog een kaart (de laatste Kruijsen brief) en deelde mee dat hij niet meer kon lopen.
Tijdens onze vakantiereis naar Belves hebben we hem nog bezocht op 2 juli 1976. Dit konden hij en zijn vrouw Loekie toch erg waarderen.
We zijn maar even op bezoek geweest en daarna gingen wij onze weg naar Belves vervolgen. Dit was ons laatste bezoek aan Anton.

002
002

Marechausseekazerne van de Brigade Oirschot rond 1932. Gebouw achter aan de linkerzijde. Nog juist is het Rijkswapen boven tussen de twee ramen te zien. Later is er een ingang gemaakt tussen die twee ramen. Daarvoor zat in dit gebouw het postkantoor.

Aanvulling Sjef Smetsers:

In de hoek achteraan woonden vroeger Sjaak Kunen en zijn zuster ‘Tuntje’. Sjaak heb ik niet meer gekend. Nu is het een dierenwinkel.
Voordat er de politiepost gevestigd was, was het postkantoor. Toen werkte de latere directeur van het postkantoor Gerard de Laat er al en waren postbestellers o.a. Kees van Kempen en Latour sr. (de vader van Jo)
De woningen tussen de huidige dierenwinkel en het postkantoor zullen wel bewoond geweest zijn, maar toen er de politiepost (in het dorp noemden wij het politiebureau) kwam, woonden er politieambtenaren o.a. agent Jorritsma, die later, na de bevrijding werd overgeplaatst naar de politiepost in Vessem. (Knegsel).
In het politiebureau was ook de woning van het hoofd van politie (Den Opper). In de dertiger jaren woonde daar het gezin van opper van Sprang en later het gezin van opper Jeuken.
Nadat het politiebureau naar elders verplaatst was, zijn de woningen aan particulieren verhuurd, waar onder ook aan arts van Lieshout, die op zeer jonge leeftijd verongelukte.
Toch nog even iets over opper van Sprang. In 1938 vond ik, als menneke van un jaar of tien, bij de EDAH-winkel (omstreeks 1990 ‘De Wildeman’) een portemonnee met ongeveer dertig centen. Van moeder moest ik die naar het politiebureau brengen. Opper van Sprang zat op zijn post en nam de vondst in ontvangst en zou mij berichten als de verliezer zich zou melden.
De oorlog brak uit en opper van Sprang vertrok naar Engeland. Aldaar ontmoette hij Frans Stans, die in 1938 de eerste koster van Spoordonk was geworden. Hij was de neef van onze koster Piet Stans en verleende kosterhulp bij zijn oom. Is het nog te volgen? Het wordt nog veel leuker.
Frans Stans gaat in Engeland studeren en wordt priester. Na de bevrijding doet hij in onze Petrus kerk zijn eerste H. Mis en opper van Sprang, zijn vriend uit Engeland, is daarbij aanwezig. (ruim 10 jaar later)
Wij hadden aan de St. Odulphusstraat, naast ‘de Beurs’ een rookwaren winkel. Na de H. Mis komt opper van Sprang in de winkel en vraagt aan moeder of zij een zoon Sjef hebben en of hij thuis was. Ja hij is thuis en ik ging in de winkel naar de opper.
Wat gebeurt? Hij pakt uit zijn zak een portemonnee en geeft die aan mij en zegt daarbij, dat niemand zich gemeld had op het politiebureau en hij had elke dag de portemonnee bij zich gehouden om ze mij terug te geven.
Dè was nogus pliesie!
(Zijn dochter is in 2020 in Oirschot 100 jaar geworden en intussen overleden.)

005
005

Een bijzonderheid in het oude Mariakerkje is wel de kapconstructie (…) Nog dertien van de achttien eikenhouten spanten van deze sporenkap waren aanwezig. Het houten tongewelf vertoont nog de telmerken, die nodig waren om de onderdelen beneden klaar te maken. Zo wist men precies welke onderdelen bij elkaar behoorden. Men heeft deze kap, zoals in de Middeleeuwen gebruikelijk was, met houten pennen gehecht. (…) Verondersteld wordt, dat de kap van de kerk te Oirschot uit het begin van de dertiende eeuw stamt. Deze is thans in elk geval de oudste houten dak bespanning in ons land, die vanaf de vloer zichtbaar is.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Voor dit onderwerp nam ik contact op met de heer Soethout in Oostelbeers, omdat ik wist, dat de familie Soethout verschillende functies in de protestantse kerk hebben vervuld. Hij verwees mij naar een adres in Best. De kerkgemeenschap bestaat inmiddels al jaren uit inwoners van Best, Oirschot en de Beerze. Ook verwees hij naar het boekje ‘Meer dan een gebouw’ en vertelde daarbij dat er zo spoedig mogelijk een nieuwe druk zal verschijnen.
Hij kon wel vertellen dat het bestuur van de Protestantse Gemeenschap per 1 januari 2020 is opgegaan in een stichting, maar het gebouw blijft eigendom van de Protestantse Gemeente Best, Oirschot en de Beerze. Voor de instandhouding van het gebouwtje kunnen activiteiten worden ontplooid; te denken valt aan lezingen, kleinschalige concerten, exposities, trouwen en rouwen en voor een aantal kerkdiensten

006
006

In 1756 wordt er een klokkentoren op het dak van het Boterkerkje gezet. Na de in gebruik name door de gereformeerden werd de kerk opgeknapt in 1822 en de kosten werden betaald door Koning Willem I. In 1880 wordt er weer verbouwd: er wordt een deel aan de Oostkant weggehaald van het zgn. Gotisch gedeelte en het dak wordt verlaagd tot gelijke hoogte met de rest van de kerk. Het stenen gewelven plafon verdwijnt dus ook. Aan deze zijde wordt dan ook de ingang gemaakt. Ook kwamen er grote Gotische zijramen in, waarvan de ‘littekens’ nu nog zichtbaar zijn.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Oostzijde Boterkerkje met ingang 1930.
Zie plaatjes 2,6,7,8,9

Bij deze beschrijving van het Boterkerkje voeg ik de plaatjes 6 tot en met 8 bijeen.
Bij dit onderwerp wordt verwezen naar de tekeningen vermeld onder de toelichting van plaatje 10. ‘Het oude Marktveld van Oirschot’.
Boterkerk, Mariakerk, Mariakapel, Onze Lieve Vrouwe Kerk, Nederlands-Hervormde Kerk, het aantal namen voor de oudste en kleinste kerk van Oirschot is groot. Dat de kerk ooit gewijd is aan Onze Lieve Vrouw Maria, daar hebben de hedendaagse protestanten geen moeite meer mee. Het begrip ‘kapel’ wijst terug op de periode dat het kerkje na de bouw van de veel grotere Sint Petruskerk op het tweede plan terecht kwam. De naam ‘Boterkerkje is in de volksmond ontstaan, omdat het gebouw na 1648 geruime tijd in gebruik geweest is als boterwaag.
Op de Mariakerk kan geen bordje aangebracht worden, dat het gebouwd zou zijn in het begin van de 12e eeuw. We moeten het doen met een rapport van de rijksdienst voor de monumentenzorg. Dit rapport is gebaseerd op onderzoek in de tijd van de ingrijpende restauratie begin zestiger jaren. In het rapport wordt gesteld dat de
bouw van het schip van de kerk in het begin van de 12e eeuw plaats vond. (iets na 1100 dus). Het idee bestaat dat er al vóór die tijd een kerk op de plaats van de huidige heeft gestaan. Drs. Lijten, de Oirschotse geschiedkundige, is daar vrij stellig over. Er zou eerder al, eeuwen voor de bouw van de kerk, op het Vrijthof sprake zijn geweest van een christelijk centrum.
Voor de veronderstelling van drs. Lijten heb ik, Sjef Smetsers gegevens Uit ‘Kleinegidsen voor kunstmonumenten’ Schnell, gids nr. 2344, 1e Nederlandse druk 1998- titel boekje ‘St. Pieter OIRCHOT’. Tekst pagina 3 :
‘Naast de Mariakerk op het vrijthof, die vermoedelijk rond 800 voor het eerst in tufsteen is gebouwd en waarvan het nog bestaande schip herbouwd is rond 1100, terwijl er rond 1200 een – nog gedeeltelijk bestaand – vroeg gotisch koor is aangebouwd, stichtte het Oirschots kapittel in 1268 de eerste St. Petruskerk als kapittelkerk. Deze werd spoedig ook als parochiekerk beschouwd in plaats van de Mariakapel, die te klein was geworden voor Oirschot.

Rond 1268 wordt de eerste grote Sint Petruskerk gebouwd. De onbeantwoorde vraag blijft dan ook, waarom de mensen de Mariakapel in stand houden. Kennelijk is er voldoende animo om in beide kerken dagelijks de lof van God te zingen.
Het is waarschijnlijk dat het kerkgebouw een opleving doormaakt, als in 1463 de Sint Petruskerk afbrandt. De herbouw van deze kerk duurt tot in de zestiende eeuw. Het is dus niet uitgesloten dat de Mariakapel in die periode als noodkerk gediend heeft voor de gehele geloofsgemeenschap. Daarna zal het weer bergafwaarts gegaan zijn met de functie van de Mariakapel als plaats van samenkomst.
en dieptepunt brak aan bij de Vrede van Munster in 1648.
Een gevolg van het verdrag van de Vrede van Munster was onder andere dat de Gereformeerde Kerk (later Nederlands Hervormde Kerk) de enige toegestane religie werd. Alle goederen van de Rooms Katholieke Kerk vervielen aan de overheid, zoals kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen en zij moesten noodgedwongen gebruik maken van de zogenaamde schuilkerken.
De Mariakapel werd gebruikt voor boterwaag, opslagplaats voor hout en klokkengieterij. De grote Sint Petruskerk werd door de protestanten in bezit genomen.
De rooms katholieken moesten, zoals eerder gezegd, gebruikmaken van schuilkerken. ( De laatste woning, rechts van de Nieuwstraat-gerekend vanaf de markt, zou dienst gedaan hebben als schuulkerk). De kerkdiensten mochten gehouden worden, maar dat mocht van buitenaf niet zichtbaar zijn. (zie ook aantekening bij plaatje 128.)
Aan het begin van de Franse tijd in 1797 kwam er een einde aan de schuilkerken-periode. De godsdiensten werden toen voor de wet gelijkgesteld.
De Bataafse Republiek kondigde in 1796 de scheiding van kerk en staat af, waardoor de officiële positie van de katholieke kerk in Nederland verbeterde .
In 1799 wordt de Sint Petruskerk weer rooms katholiek bezit en wordt de Mariakapel aan de protestanten toegewezen.
Bij de verhuizing van de Sint Petruskerk nemen de protestanten wel onder andere de kansel uit 1650 mee met de bijbehorende koperen lessenaar uit 1756 met het wapen van de familie Nassau-Dietz. Ook wordt de statenbijbel uit 1704 meegenomen.
Verder gaan de toenmalige banken en stoelen mee naar de Mariakapel. Volgens opgave zouden de kosten van de verplaatsing van de kansel elf stuivers en 8 penningen hebben bedragen.
Tot slot nog een opmerking met betrekking tot de bouw van de protestantse kerk. Uit een afbeelding in het boek van Hendrik Verhees uit 1794 kunnen wij ons nog een voorstelling maken van de Lieve Vrouwenkerk met het vroeg-gotische koor. Hij tekent in zijn schetsenboek het gotische koor aanzienlijk hoger dan het romaanse schip. Het gotische koor is grotendeels gesneuveld in 1880 toen aanzienlijke veranderingen zijn aangebracht.
In de beschrijvingen van de onder verschillende namen genoemde protestantse kerk, wordt Hendrik Verhees meermalen aangehaald. Hij werd op 7 december 1744 te Boxtel geboren en overleed op 23 april 1813. Hij was landmeter, architect, waterstaatskundige en bestuurder.
Het schetsenboek is in 1975 uitgegeven onder de titel ‘Het schetsenboek van Hendrik Verhees’ door J. van Laarhoven te s’- Hertogenbosch.

Hier wilde ik de korte geschiedenis van de protestantse kerk besluiten, maar dat kan niet zonder aandacht te schenken aan de familie Soethout, die zich in verschillende functies verdienstelijk heeft gemaakt.
Hervormd Oirschot had aan de Beerseweg een boerderij ‘De Doornboom’ die in 1855 aan Hendrik Soethout verpacht werd. Hij krijgt 3 zonen, Jan, Hendrik en Karel-Christiaan.
Karel-Christiaan, die postbode in Oirschot is, zal het bedrijf overnemen en krijgt met zijn echtgenote 9 kinderen. ( 7 jongens en twee meisjes) Elisabeth is maar een jaar oud geworden. Hierna is er nog een Elisabeth geboren (1913).
Van de negen kinderen hebben er velen werkzaamheden voor de kerk verricht o.a. als ouderling, organist, diaken, kerkvoogd, koster, orgeltrapper of tuinman
Vier van deze kinderen zijn mij (JSm) bekend. Piet en/of Adriaan bezorgden in het dorp melk. Eerst met een hondenkar en later met de pony-wagen. In mijn tijd mocht ik wel eens met ze meerijden op de pony-wagen. Piet (1909) is later bij de gemeentepolitie in Eindhoven gaan werken en Adriaan (1920) bij de Rijkspolitie. Hij is in Nuenen gestorven.
Tussendoortje.
Bij mijn rijexamen in Eindhoven moest ik stoppen. De borden werden nog door een politieagent bediend. Zij draaiden de borden op ‘stop’ of ‘vrij’. Ik moest even wachten. Toevallig bediende agent Piet Soethout het verkeersbord. Hij zette het bord op ‘vrij’ en ik kon vertrekken, maar de auto ‘stond in z’n twee’ en sloeg af. Resultaat: gezakt.

Evert (1917) had later een manege, ook op de Beerse weg.

Sip (1906) woonde in Oirschot naast Hendrik Termeer (plaatje nr. 18) aan het Standaardplein (richting Kanaalstraat) en was bij het culturele leven van Oirschot erg betrokken. Ook werd hij in de kerkvoogdij- vergadering van 3 juli 1922 benoemd als organist van zijn kerk, waar hij in 1922 mevrouw Vogel-Nijhuis opvolgde.
Van hem is bekend dat hij op 29 juni 1941 (verjaardag prins Bernhard), getooid met een oranje bloem, de kerkdienst begon met het Wilhelmus: ‘De verzetsdaad van Sip’. Hij kreeg een boete van f. 100,– gulden of een celstraf van twee maanden.
Waarschijnlijk zat er toch een NSB-er in de kerk.
Jammer dat ik dit verhaal van de familie Soethout triest moet afsluiten.
Tijdens de oorlog was de Heuvelse brug (weg naar Oostelbeers) onklaar gemaakt en vanaf die tijd werd de oeververbinding met een veerpont in stand gehouden, zeer primitief. Op 10 augustus 1942 werd het veerpont na de hoogmis in werking gesteld. Hiervan maakten o.a. Karel-Christiaan en anderen gebruik. Tijdens de overzetting sloeg het veerpont om en verdronken Karel-Christiaan en 2 zonen van de familie van de Ven, die aan de andere kant van het Wilhelminakanaal woonachtig waren.
(De beschrijvingen vanaf de Vrede van Munster in 1648 zijn verzameld uit diverse boekwerken, familie Soethout en van eigen kennis. Met betrekking tot het kerkje zijn eigen gegevens gebruikt en is gebruik gemaakt van ‘Meer dan een gebouw’ door Peter Blees.

007
007

In 1960 vindt er aan het Boterkerkje een grondige restauratie plaats, waarbij de ingang van de kerk wordt verplaatst naar de westkant en de in 1880 aangebrachte gevel totaal wordt vernieuwd.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Oostzijde Boterkerkje na verbouwing 1960.
Zie plaatjes 2,6,7,8,9

Bij deze beschrijving van het Boterkerkje voeg ik de plaatjes 6 tot en met 8 bijeen.
Bij dit onderwerp wordt verwezen naar de tekeningen vermeld onder de toelichting van plaatje 10. ‘Het oude Marktveld van Oirschot’.
Boterkerk, Mariakerk, Mariakapel, Onze Lieve Vrouwe Kerk, Nederlands-Hervormde Kerk, het aantal namen voor de oudste en kleinste kerk van Oirschot is groot. Dat de kerk ooit gewijd is aan Onze Lieve Vrouw Maria, daar hebben de hedendaagse protestanten geen moeite meer mee. Het begrip ‘kapel’ wijst terug op de periode dat het kerkje na de bouw van de veel grotere Sint Petruskerk op het tweede plan terecht kwam. De naam ‘Boterkerkje is in de volksmond ontstaan, omdat het gebouw na 1648 geruime tijd in gebruik geweest is als boterwaag.
Op de Mariakerk kan geen bordje aangebracht worden, dat het gebouwd zou zijn in het begin van de 12e eeuw. We moeten het doen met een rapport van de rijksdienst voor de monumentenzorg. Dit rapport is gebaseerd op onderzoek in de tijd van de ingrijpende restauratie begin zestiger jaren. In het rapport wordt gesteld dat de
bouw van het schip van de kerk in het begin van de 12e eeuw plaats vond. (iets na 1100 dus). Het idee bestaat dat er al vóór die tijd een kerk op de plaats van de huidige heeft gestaan. Drs. Lijten, de Oirschotse geschiedkundige, is daar vrij stellig over. Er zou eerder al, eeuwen voor de bouw van de kerk, op het Vrijthof sprake zijn geweest van een christelijk centrum.
Voor de veronderstelling van drs. Lijten heb ik, Sjef Smetsers gegevens Uit ‘Kleinegidsen voor kunstmonumenten’ Schnell, gids nr. 2344, 1e Nederlandse druk 1998- titel boekje ‘St. Pieter OIRCHOT’. Tekst pagina 3 :
‘Naast de Mariakerk op het vrijthof, die vermoedelijk rond 800 voor het eerst in tufsteen is gebouwd en waarvan het nog bestaande schip herbouwd is rond 1100, terwijl er rond 1200 een – nog gedeeltelijk bestaand – vroeg gotisch koor is aangebouwd, stichtte het Oirschots kapittel in 1268 de eerste St. Petruskerk als kapittelkerk. Deze werd spoedig ook als parochiekerk beschouwd in plaats van de Mariakapel, die te klein was geworden voor Oirschot.

Rond 1268 wordt de eerste grote Sint Petruskerk gebouwd. De onbeantwoorde vraag blijft dan ook, waarom de mensen de Mariakapel in stand houden. Kennelijk is er voldoende animo om in beide kerken dagelijks de lof van God te zingen.
Het is waarschijnlijk dat het kerkgebouw een opleving doormaakt, als in 1463 de Sint Petruskerk afbrandt. De herbouw van deze kerk duurt tot in de zestiende eeuw. Het is dus niet uitgesloten dat de Mariakapel in die periode als noodkerk gediend heeft voor de gehele geloofsgemeenschap. Daarna zal het weer bergafwaarts gegaan zijn met de functie van de Mariakapel als plaats van samenkomst.
en dieptepunt brak aan bij de Vrede van Munster in 1648.
Een gevolg van het verdrag van de Vrede van Munster was onder andere dat de Gereformeerde Kerk (later Nederlands Hervormde Kerk) de enige toegestane religie werd. Alle goederen van de Rooms Katholieke Kerk vervielen aan de overheid, zoals kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen en zij moesten noodgedwongen gebruik maken van de zogenaamde schuilkerken.
De Mariakapel werd gebruikt voor boterwaag, opslagplaats voor hout en klokkengieterij. De grote Sint Petruskerk werd door de protestanten in bezit genomen.
De rooms katholieken moesten, zoals eerder gezegd, gebruikmaken van schuilkerken. ( De laatste woning, rechts van de Nieuwstraat-gerekend vanaf de markt, zou dienst gedaan hebben als schuulkerk). De kerkdiensten mochten gehouden worden, maar dat mocht van buitenaf niet zichtbaar zijn. (zie ook aantekening bij plaatje 128.)
Aan het begin van de Franse tijd in 1797 kwam er een einde aan de schuilkerken-periode. De godsdiensten werden toen voor de wet gelijkgesteld.
De Bataafse Republiek kondigde in 1796 de scheiding van kerk en staat af, waardoor de officiële positie van de katholieke kerk in Nederland verbeterde .
In 1799 wordt de Sint Petruskerk weer rooms katholiek bezit en wordt de Mariakapel aan de protestanten toegewezen.
Bij de verhuizing van de Sint Petruskerk nemen de protestanten wel onder andere de kansel uit 1650 mee met de bijbehorende koperen lessenaar uit 1756 met het wapen van de familie Nassau-Dietz. Ook wordt de statenbijbel uit 1704 meegenomen.
Verder gaan de toenmalige banken en stoelen mee naar de Mariakapel. Volgens opgave zouden de kosten van de verplaatsing van de kansel elf stuivers en 8 penningen hebben bedragen.
Tot slot nog een opmerking met betrekking tot de bouw van de protestantse kerk. Uit een afbeelding in het boek van Hendrik Verhees uit 1794 kunnen wij ons nog een voorstelling maken van de Lieve Vrouwenkerk met het vroeg-gotische koor. Hij tekent in zijn schetsenboek het gotische koor aanzienlijk hoger dan het romaanse schip. Het gotische koor is grotendeels gesneuveld in 1880 toen aanzienlijke veranderingen zijn aangebracht.
In de beschrijvingen van de onder verschillende namen genoemde protestantse kerk, wordt Hendrik Verhees meermalen aangehaald. Hij werd op 7 december 1744 te Boxtel geboren en overleed op 23 april 1813. Hij was landmeter, architect, waterstaatskundige en bestuurder.
Het schetsenboek is in 1975 uitgegeven onder de titel ‘Het schetsenboek van Hendrik Verhees’ door J. van Laarhoven te s’- Hertogenbosch.

Hier wilde ik de korte geschiedenis van de protestantse kerk besluiten, maar dat kan niet zonder aandacht te schenken aan de familie Soethout, die zich in verschillende functies verdienstelijk heeft gemaakt.
Hervormd Oirschot had aan de Beerseweg een boerderij ‘De Doornboom’ die in 1855 aan Hendrik Soethout verpacht werd. Hij krijgt 3 zonen, Jan, Hendrik en Karel-Christiaan.
Karel-Christiaan, die postbode in Oirschot is, zal het bedrijf overnemen en krijgt met zijn echtgenote 9 kinderen. ( 7 jongens en twee meisjes) Elisabeth is maar een jaar oud geworden. Hierna is er nog een Elisabeth geboren (1913).
Van de negen kinderen hebben er velen werkzaamheden voor de kerk verricht o.a. als ouderling, organist, diaken, kerkvoogd, koster, orgeltrapper of tuinman
Vier van deze kinderen zijn mij (JSm) bekend. Piet en/of Adriaan bezorgden in het dorp melk. Eerst met een hondenkar en later met de pony-wagen. In mijn tijd mocht ik wel eens met ze meerijden op de pony-wagen. Piet (1909) is later bij de gemeentepolitie in Eindhoven gaan werken en Adriaan (1920) bij de Rijkspolitie. Hij is in Nuenen gestorven.
Tussendoortje.
Bij mijn rijexamen in Eindhoven moest ik stoppen. De borden werden nog door een politieagent bediend. Zij draaiden de borden op ‘stop’ of ‘vrij’. Ik moest even wachten. Toevallig bediende agent Piet Soethout het verkeersbord. Hij zette het bord op ‘vrij’ en ik kon vertrekken, maar de auto ‘stond in z’n twee’ en sloeg af. Resultaat: gezakt.

Evert (1917) had later een manege, ook op de Beerse weg.

Sip (1906) woonde in Oirschot naast Hendrik Termeer (plaatje nr. 18) aan het Standaardplein (richting Kanaalstraat) en was bij het culturele leven van Oirschot erg betrokken. Ook werd hij in de kerkvoogdij- vergadering van 3 juli 1922 benoemd als organist van zijn kerk, waar hij in 1922 mevrouw Vogel-Nijhuis opvolgde.
Van hem is bekend dat hij op 29 juni 1941 (verjaardag prins Bernhard), getooid met een oranje bloem, de kerkdienst begon met het Wilhelmus: ‘De verzetsdaad van Sip’. Hij kreeg een boete van f. 100,– gulden of een celstraf van twee maanden.
Waarschijnlijk zat er toch een NSB-er in de kerk.
Jammer dat ik dit verhaal van de familie Soethout triest moet afsluiten.
Tijdens de oorlog was de Heuvelse brug (weg naar Oostelbeers) onklaar gemaakt en vanaf die tijd werd de oeververbinding met een veerpont in stand gehouden, zeer primitief. Op 10 augustus 1942 werd het veerpont na de hoogmis in werking gesteld. Hiervan maakten o.a. Karel-Christiaan en anderen gebruik. Tijdens de overzetting sloeg het veerpont om en verdronken Karel-Christiaan en 2 zonen van de familie van de Ven, die aan de andere kant van het Wilhelminakanaal woonachtig waren.
(De beschrijvingen vanaf de Vrede van Munster in 1648 zijn verzameld uit diverse boekwerken, familie Soethout en van eigen kennis. Met betrekking tot het kerkje zijn eigen gegevens gebruikt en is gebruik gemaakt van ‘Meer dan een gebouw’ door Peter Bl

008
008

De westzijde met de ingang van na 1960

Aanvulling Sjef Smetsers:

Westzijde Boterkerkje na 1960.
Zie plaatjes 2,6,7,8,9
Het Boterkerkje voor de verbouwing van 1880.
Zie plaatjes 2,6,7,8
Bij deze beschrijving van het Boterkerkje voeg ik de plaatjes 6 tot en met 8 bijeen.
Bij dit onderwerp wordt verwezen naar de tekeningen vermeld onder de toelichting van plaatje 10. ‘Het oude Marktveld van Oirschot’.
Boterkerk, Mariakerk, Mariakapel, Onze Lieve Vrouwe Kerk, Nederlands-Hervormde Kerk, het aantal namen voor de oudste en kleinste kerk van Oirschot is groot. Dat de kerk ooit gewijd is aan Onze Lieve Vrouw Maria, daar hebben de hedendaagse protestanten geen moeite meer mee. Het begrip ‘kapel’ wijst terug op de periode dat het kerkje na de bouw van de veel grotere Sint Petruskerk op het tweede plan terecht kwam. De naam ‘Boterkerkje is in de volksmond ontstaan, omdat het gebouw na 1648 geruime tijd in gebruik geweest is als boterwaag.
Op de Mariakerk kan geen bordje aangebracht worden, dat het gebouwd zou zijn in het begin van de 12e eeuw. We moeten het doen met een rapport van de rijksdienst voor de monumentenzorg. Dit rapport is gebaseerd op onderzoek in de tijd van de ingrijpende restauratie begin zestiger jaren. In het rapport wordt gesteld dat de
bouw van het schip van de kerk in het begin van de 12e eeuw plaats vond. (iets na 1100 dus). Het idee bestaat dat er al vóór die tijd een kerk op de plaats van de huidige heeft gestaan. Drs. Lijten, de Oirschotse geschiedkundige, is daar vrij stellig over. Er zou eerder al, eeuwen voor de bouw van de kerk, op het Vrijthof sprake zijn geweest van een christelijk centrum.
Voor de veronderstelling van drs. Lijten heb ik, Sjef Smetsers gegevens Uit ‘Kleinegidsen voor kunstmonumenten’ Schnell, gids nr. 2344, 1e Nederlandse druk 1998- titel boekje ‘St. Pieter OIRCHOT’. Tekst pagina 3 :
‘Naast de Mariakerk op het vrijthof, die vermoedelijk rond 800 voor het eerst in tufsteen is gebouwd en waarvan het nog bestaande schip herbouwd is rond 1100, terwijl er rond 1200 een – nog gedeeltelijk bestaand – vroeg gotisch koor is aangebouwd, stichtte het Oirschots kapittel in 1268 de eerste St. Petruskerk als kapittelkerk. Deze werd spoedig ook als parochiekerk beschouwd in plaats van de Mariakapel, die te klein was geworden voor Oirschot.

Rond 1268 wordt de eerste grote Sint Petruskerk gebouwd. De onbeantwoorde vraag blijft dan ook, waarom de mensen de Mariakapel in stand houden. Kennelijk is er voldoende animo om in beide kerken dagelijks de lof van God te zingen.
Het is waarschijnlijk dat het kerkgebouw een opleving doormaakt, als in 1463 de Sint Petruskerk afbrandt. De herbouw van deze kerk duurt tot in de zestiende eeuw. Het is dus niet uitgesloten dat de Mariakapel in die periode als noodkerk gediend heeft voor de gehele geloofsgemeenschap. Daarna zal het weer bergafwaarts gegaan zijn met de functie van de Mariakapel als plaats van samenkomst.
en dieptepunt brak aan bij de Vrede van Munster in 1648.
Een gevolg van het verdrag van de Vrede van Munster was onder andere dat de Gereformeerde Kerk (later Nederlands Hervormde Kerk) de enige toegestane religie werd. Alle goederen van de Rooms Katholieke Kerk vervielen aan de overheid, zoals kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen en zij moesten noodgedwongen gebruik maken van de zogenaamde schuilkerken.
De Mariakapel werd gebruikt voor boterwaag, opslagplaats voor hout en klokkengieterij. De grote Sint Petruskerk werd door de protestanten in bezit genomen.
De rooms katholieken moesten, zoals eerder gezegd, gebruikmaken van schuilkerken. ( De laatste woning, rechts van de Nieuwstraat-gerekend vanaf de markt, zou dienst gedaan hebben als schuulkerk). De kerkdiensten mochten gehouden worden, maar dat mocht van buitenaf niet zichtbaar zijn. (zie ook aantekening bij plaatje 128.)
Aan het begin van de Franse tijd in 1797 kwam er een einde aan de schuilkerken-periode. De godsdiensten werden toen voor de wet gelijkgesteld.
De Bataafse Republiek kondigde in 1796 de scheiding van kerk en staat af, waardoor de officiële positie van de katholieke kerk in Nederland verbeterde .
In 1799 wordt de Sint Petruskerk weer rooms katholiek bezit en wordt de Mariakapel aan de protestanten toegewezen.
Bij de verhuizing van de Sint Petruskerk nemen de protestanten wel onder andere de kansel uit 1650 mee met de bijbehorende koperen lessenaar uit 1756 met het wapen van de familie Nassau-Dietz. Ook wordt de statenbijbel uit 1704 meegenomen.
Verder gaan de toenmalige banken en stoelen mee naar de Mariakapel. Volgens opgave zouden de kosten van de verplaatsing van de kansel elf stuivers en 8 penningen hebben bedragen.
Tot slot nog een opmerking met betrekking tot de bouw van de protestantse kerk. Uit een afbeelding in het boek van Hendrik Verhees uit 1794 kunnen wij ons nog een voorstelling maken van de Lieve Vrouwenkerk met het vroeg-gotische koor. Hij tekent in zijn schetsenboek het gotische koor aanzienlijk hoger dan het romaanse schip. Het gotische koor is grotendeels gesneuveld in 1880 toen aanzienlijke veranderingen zijn aangebracht.
In de beschrijvingen van de onder verschillende namen genoemde protestantse kerk, wordt Hendrik Verhees meermalen aangehaald. Hij werd op 7 december 1744 te Boxtel geboren en overleed op 23 april 1813. Hij was landmeter, architect, waterstaatskundige en bestuurder.
Het schetsenboek is in 1975 uitgegeven onder de titel ‘Het schetsenboek van Hendrik Verhees’ door J. van Laarhoven te s’- Hertogenbosch.

Hier wilde ik de korte geschiedenis van de protestantse kerk besluiten, maar dat kan niet zonder aandacht te schenken aan de familie Soethout, die zich in verschillende functies verdienstelijk heeft gemaakt.
Hervormd Oirschot had aan de Beerseweg een boerderij ‘De Doornboom’ die in 1855 aan Hendrik Soethout verpacht werd. Hij krijgt 3 zonen, Jan, Hendrik en Karel-Christiaan.
Karel-Christiaan, die postbode in Oirschot is, zal het bedrijf overnemen en krijgt met zijn echtgenote 9 kinderen. ( 7 jongens en twee meisjes) Elisabeth is maar een jaar oud geworden. Hierna is er nog een Elisabeth geboren (1913).
Van de negen kinderen hebben er velen werkzaamheden voor de kerk verricht o.a. als ouderling, organist, diaken, kerkvoogd, koster, orgeltrapper of tuinman
Vier van deze kinderen zijn mij (JSm) bekend. Piet en/of Adriaan bezorgden in het dorp melk. Eerst met een hondenkar en later met de pony-wagen. In mijn tijd mocht ik wel eens met ze meerijden op de pony-wagen. Piet (1909) is later bij de gemeentepolitie in Eindhoven gaan werken en Adriaan (1920) bij de Rijkspolitie. Hij is in Nuenen gestorven.
Tussendoortje.
Bij mijn rijexamen in Eindhoven moest ik stoppen. De borden werden nog door een politieagent bediend. Zij draaiden de borden op ‘stop’ of ‘vrij’. Ik moest even wachten. Toevallig bediende agent Piet Soethout het verkeersbord. Hij zette het bord op ‘vrij’ en ik kon vertrekken, maar de auto ‘stond in z’n twee’ en sloeg af. Resultaat: gezakt.

Evert (1917) had later een manege, ook op de Beerse weg.

Sip (1906) woonde in Oirschot naast Hendrik Termeer (plaatje nr. 18) aan het Standaardplein (richting Kanaalstraat) en was bij het culturele leven van Oirschot erg betrokken. Ook werd hij in de kerkvoogdij- vergadering van 3 juli 1922 benoemd als organist van zijn kerk, waar hij in 1922 mevrouw Vogel-Nijhuis opvolgde.
Van hem is bekend dat hij op 29 juni 1941 (verjaardag prins Bernhard), getooid met een oranje bloem, de kerkdienst begon met het Wilhelmus: ‘De verzetsdaad van Sip’. Hij kreeg een boete van f. 100,– gulden of een celstraf van twee maanden.
Waarschijnlijk zat er toch een NSB-er in de kerk.
Jammer dat ik dit verhaal van de familie Soethout triest moet afsluiten.
Tijdens de oorlog was de Heuvelse brug (weg naar Oostelbeers) onklaar gemaakt en vanaf die tijd werd de oeververbinding met een veerpont in stand gehouden, zeer primitief. Op 10 augustus 1942 werd het veerpont na de hoogmis in werking gesteld. Hiervan maakten o.a. Karel-Christiaan en anderen gebruik. Tijdens de overzetting sloeg het veerpont om en verdronken Karel-Christiaan en 2 zonen van de familie van de Ven, die aan de andere kant van het Wilhelminakanaal woonachtig waren.
(De beschrijvingen vanaf de Vrede van Munster in 1648 zijn verzameld uit diverse boekwerken, familie Soethout en van eigen kennis. Met betrekking tot het kerkje zijn eigen gegevens gebruikt en is gebruik gemaakt van ‘Meer dan een gebouw’ door Peter Blees.

009
009

De westzijde van het Boterkerkje vóór de verbouwing van 1880. Met de grote Gotische ramen en de Romaanse raampjes. Ook is nog de oude ingang van vóór 1822 zichtbaar

Aanvulling Sjef Smetsers:
Het Boterkerkje voor de verbouwing van 1880.
Zie plaatjes 2,6,7,8
Bij deze beschrijving van het Boterkerkje voeg ik de plaatjes 6 tot en met 8 bijeen.
Bij dit onderwerp wordt verwezen naar de tekeningen vermeld onder de toelichting van plaatje 10. ‘Het oude Marktveld van Oirschot’.
Boterkerk, Mariakerk, Mariakapel, Onze Lieve Vrouwe Kerk, Nederlands-Hervormde Kerk, het aantal namen voor de oudste en kleinste kerk van Oirschot is groot. Dat de kerk ooit gewijd is aan Onze Lieve Vrouw Maria, daar hebben de hedendaagse protestanten geen moeite meer mee. Het begrip ‘kapel’ wijst terug op de periode dat het kerkje na de bouw van de veel grotere Sint Petruskerk op het tweede plan terecht kwam. De naam ‘Boterkerkje is in de volksmond ontstaan, omdat het gebouw na 1648 geruime tijd in gebruik geweest is als boterwaag.
Op de Mariakerk kan geen bordje aangebracht worden, dat het gebouwd zou zijn in het begin van de 12e eeuw. We moeten het doen met een rapport van de rijksdienst voor de monumentenzorg. Dit rapport is gebaseerd op onderzoek in de tijd van de ingrijpende restauratie begin zestiger jaren. In het rapport wordt gesteld dat de
bouw van het schip van de kerk in het begin van de 12e eeuw plaats vond. (iets na 1100 dus). Het idee bestaat dat er al vóór die tijd een kerk op de plaats van de huidige heeft gestaan. Drs. Lijten, de Oirschotse geschiedkundige, is daar vrij stellig over. Er zou eerder al, eeuwen voor de bouw van de kerk, op het Vrijthof sprake zijn geweest van een christelijk centrum.
Voor de veronderstelling van drs. Lijten heb ik, Sjef Smetsers gegevens Uit ‘Kleinegidsen voor kunstmonumenten’ Schnell, gids nr. 2344, 1e Nederlandse druk 1998- titel boekje ‘St. Pieter OIRCHOT’. Tekst pagina 3 :
‘Naast de Mariakerk op het vrijthof, die vermoedelijk rond 800 voor het eerst in tufsteen is gebouwd en waarvan het nog bestaande schip herbouwd is rond 1100, terwijl er rond 1200 een – nog gedeeltelijk bestaand – vroeg gotisch koor is aangebouwd, stichtte het Oirschots kapittel in 1268 de eerste St. Petruskerk als kapittelkerk. Deze werd spoedig ook als parochiekerk beschouwd in plaats van de Mariakapel, die te klein was geworden voor Oirschot.

Rond 1268 wordt de eerste grote Sint Petruskerk gebouwd. De onbeantwoorde vraag blijft dan ook, waarom de mensen de Mariakapel in stand houden. Kennelijk is er voldoende animo om in beide kerken dagelijks de lof van God te zingen.
Het is waarschijnlijk dat het kerkgebouw een opleving doormaakt, als in 1463 de Sint Petruskerk afbrandt. De herbouw van deze kerk duurt tot in de zestiende eeuw. Het is dus niet uitgesloten dat de Mariakapel in die periode als noodkerk gediend heeft voor de gehele geloofsgemeenschap. Daarna zal het weer bergafwaarts gegaan zijn met de functie van de Mariakapel als plaats van samenkomst.
en dieptepunt brak aan bij de Vrede van Munster in 1648.
Een gevolg van het verdrag van de Vrede van Munster was onder andere dat de Gereformeerde Kerk (later Nederlands Hervormde Kerk) de enige toegestane religie werd. Alle goederen van de Rooms Katholieke Kerk vervielen aan de overheid, zoals kerken, kapellen, kloosters en andere bezittingen en zij moesten noodgedwongen gebruik maken van de zogenaamde schuilkerken.
De Mariakapel werd gebruikt voor boterwaag, opslagplaats voor hout en klokkengieterij. De grote Sint Petruskerk werd door de protestanten in bezit genomen.
De rooms katholieken moesten, zoals eerder gezegd, gebruikmaken van schuilkerken. ( De laatste woning, rechts van de Nieuwstraat-gerekend vanaf de markt, zou dienst gedaan hebben als schuulkerk). De kerkdiensten mochten gehouden worden, maar dat mocht van buitenaf niet zichtbaar zijn. (zie ook aantekening bij plaatje 128.)
Aan het begin van de Franse tijd in 1797 kwam er een einde aan de schuilkerken-periode. De godsdiensten werden toen voor de wet gelijkgesteld.
De Bataafse Republiek kondigde in 1796 de scheiding van kerk en staat af, waardoor de officiële positie van de katholieke kerk in Nederland verbeterde .
In 1799 wordt de Sint Petruskerk weer rooms katholiek bezit en wordt de Mariakapel aan de protestanten toegewezen.
Bij de verhuizing van de Sint Petruskerk nemen de protestanten wel onder andere de kansel uit 1650 mee met de bijbehorende koperen lessenaar uit 1756 met het wapen van de familie Nassau-Dietz. Ook wordt de statenbijbel uit 1704 meegenomen.
Verder gaan de toenmalige banken en stoelen mee naar de Mariakapel. Volgens opgave zouden de kosten van de verplaatsing van de kansel elf stuivers en 8 penningen hebben bedragen.
Tot slot nog een opmerking met betrekking tot de bouw van de protestantse kerk. Uit een afbeelding in het boek van Hendrik Verhees uit 1794 kunnen wij ons nog een voorstelling maken van de Lieve Vrouwenkerk met het vroeg-gotische koor. Hij tekent in zijn schetsenboek het gotische koor aanzienlijk hoger dan het romaanse schip. Het gotische koor is grotendeels gesneuveld in 1880 toen aanzienlijke veranderingen zijn aangebracht.
In de beschrijvingen van de onder verschillende namen genoemde protestantse kerk, wordt Hendrik Verhees meermalen aangehaald. Hij werd op 7 december 1744 te Boxtel geboren en overleed op 23 april 1813. Hij was landmeter, architect, waterstaatskundige en bestuurder.
Het schetsenboek is in 1975 uitgegeven onder de titel ‘Het schetsenboek van Hendrik Verhees’ door J. van Laarhoven te s’- Hertogenbosch.

Hier wilde ik de korte geschiedenis van de protestantse kerk besluiten, maar dat kan niet zonder aandacht te schenken aan de familie Soethout, die zich in verschillende functies verdienstelijk heeft gemaakt.
Hervormd Oirschot had aan de Beerseweg een boerderij ‘De Doornboom’ die in 1855 aan Hendrik Soethout verpacht werd. Hij krijgt 3 zonen, Jan, Hendrik en Karel-Christiaan.
Karel-Christiaan, die postbode in Oirschot is, zal het bedrijf overnemen en krijgt met zijn echtgenote 9 kinderen. ( 7 jongens en twee meisjes) Elisabeth is maar een jaar oud geworden. Hierna is er nog een Elisabeth geboren (1913).
Van de negen kinderen hebben er velen werkzaamheden voor de kerk verricht o.a. als ouderling, organist, diaken, kerkvoogd, koster, orgeltrapper of tuinman
Vier van deze kinderen zijn mij (JSm) bekend. Piet en/of Adriaan bezorgden in het dorp melk. Eerst met een hondenkar en later met de pony-wagen. In mijn tijd mocht ik wel eens met ze meerijden op de pony-wagen. Piet (1909) is later bij de gemeentepolitie in Eindhoven gaan werken en Adriaan (1920) bij de Rijkspolitie. Hij is in Nuenen gestorven.
Tussendoortje.
Bij mijn rijexamen in Eindhoven moest ik stoppen. De borden werden nog door een politieagent bediend. Zij draaiden de borden op ‘stop’ of ‘vrij’. Ik moest even wachten. Toevallig bediende agent Piet Soethout het verkeersbord. Hij zette het bord op ‘vrij’ en ik kon vertrekken, maar de auto ‘stond in z’n twee’ en sloeg af. Resultaat: gezakt.

Evert (1917) had later een manege, ook op de Beerse weg.

Sip (1906) woonde in Oirschot naast Hendrik Termeer (plaatje nr. 18) aan het Standaardplein (richting Kanaalstraat) en was bij het culturele leven van Oirschot erg betrokken. Ook werd hij in de kerkvoogdij- vergadering van 3 juli 1922 benoemd als organist van zijn kerk, waar hij in 1922 mevrouw Vogel-Nijhuis opvolgde.
Van hem is bekend dat hij op 29 juni 1941 (verjaardag prins Bernhard), getooid met een oranje bloem, de kerkdienst begon met het Wilhelmus: ‘De verzetsdaad van Sip’. Hij kreeg een boete van f. 100,– gulden of een celstraf van twee maanden.
Waarschijnlijk zat er toch een NSB-er in de kerk.
Jammer dat ik dit verhaal van de familie Soethout triest moet afsluiten.
Tijdens de oorlog was de Heuvelse brug (weg naar Oostelbeers) onklaar gemaakt en vanaf die tijd werd de oeververbinding met een veerpont in stand gehouden, zeer primitief. Op 10 augustus 1942 werd het veerpont na de hoogmis in werking gesteld. Hiervan maakten o.a. Karel-Christiaan en anderen gebruik. Tijdens de overzetting sloeg het veerpont om en verdronken Karel-Christiaan en 2 zonen van de familie van de Ven, die aan de andere kant van het Wilhelminakanaal woonachtig waren.
(De beschrijvingen vanaf de Vrede van Munster in 1648 zijn verzameld uit diverse boekwerken, familie Soethout en van eigen kennis. Met betrekking tot het kerkje zijn eigen gegevens gebruikt en is gebruik gemaakt van ‘Meer dan een gebouw’ door Peter Blees.

010
010

Het marktveld en het Vrijthof met de ‘Grote Kerk’ en het Boterkerkje rechts boven. De kaart is ongeveer gedateerd …… . Hij is in elk geval van vóór 1650. Duidelijk zijn te zien de kiosk en de waterpompen.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Het oude Marktveld van Oirschot.
Korte omschrijving van het ontstaan van de Markt
Oirschot had al vele eeuwen geschiedenis
toen begonnen werd met de kerk.
We moeten ons verplaatsen naar
het midden van de dertiende eeuw,
zo rond 1250.
In die tijd was het centrum van
Oirschot het Vrijthof, met de Mariakerk
(het boterkerkje) – nr 1 in figuur 1) als
middelpunt.

De Sint Petruskerk, de Zwaan en
Aanpalende gebouwen bestonden nog niet.
De toenmalige markt was geheel vol gebouwd met huizen, waarvan de huizen aan de zuidkant ‘clingelhuizen’ werden genoemd. (zie figuur 1)

Zo rond het jaar 1268 wordt de
eerste Sint Petruskerk gebouwd en
als kapittelkerk in gebruik genomen (nr. 3 op figuur 2).
Daar er voor deze tweede kerk op het Vrijthof geen plaats was werd zij achter de ‘clingelhuizen’ gebouwd.Deze kerk is in 1462 afgebrand.

De herbouw vond plaats in twee fases.
(1463 – 1503 en 1503 – 1512)
Deze, in gotische stijl gebouwde kerk, werd
groter dan de eerste (zie nr. 4 figuur 3)
zoals in die tijd gebruikelijk was.
De kerk toornde boven alle huizen uit.
De spitse toren werd in 1627 door
blikseminslag verwoest.
Sindsdien heeft de kerk een stompe toren.
Het gemeentehuis (nr 5 figuur 3) werd
in 1513 gebouwd als gemeentehuis
annex markthal.

In 1566 veranderde de situatie grondig
door een grote brand, die vermoedelijk
in de Koestraat is ontstaan. Alle negen
‘clingelhuizen’, tot waar nu de Reijsende
Man staat, gingen verloren.
Gelukkig was de windrichting gunstig
zodat de Kerk gespaard bleef.
Het Oirschotse bestuur realiseerde zich Figuur 4: situatie 1566-1623
het brandgevaar voor de kerk als de ‘clingelhuizen’ herbouwd zouden worden.
Dit was dan ook de reden dat de regenten zich richtten tot koning Philips II, tevens hertog van Brabant, om hen octrooi te verlenen om de herbouw van de huizen te verbieden en de gronden te onteigenen. Dit octrooi werd op 30 juni 1566 verleend en sprak over 28 woningen, waaronder de negen ‘clingelhuizen’.

In 1623 brak er weer brand uit en het overgrote deel van de huizen in de kom, waaronder de 5 woningen aan de westzijde, brandde af. (zie figuur 4).
Het dorpsbestuur kocht de 5 afgebrande huizen aan, waardoor kerk en gemeentehuis meer vrij kwamen te liggen. Het octrooi werd achteraf door de raad van Brabant op 3 september 1625 verleend.

Nu de markt vergroot was, kregen
de eigenaren verlof om de afgebrande
panden te herbouwen op het Vrijthof,
waar van die tijd af de Zwaan
en aanpalende panden staan.
(zie figuur 5, nr 6).

Uit: Oog op Oirschot pag.111-112
tekeningen Jan Suijkerbuijk en Monument in het blauw pag.20, tekst Nicoline van Tiggelen en ‘Van den Herd’( 2009-2) Clari van Esch-van Hout. den Herd’ ( 2009-2)

011
011

Het Boterkerkje is vaak geschilderd en getekend. Zo ook door Hendrik Verhees (o Boxtel 1744, + aldaar 1813) in 1794. Hij was een Nederlands politicus, architect, tekenaar, aquarellist, cartograaf en aannemer. Hij verwisselde de rechtstekens zoals ze in de kerk zaten. Die zaten dus aan de verkeerde kant. In 1991 is dat hersteld. Aan de zuidgevel zitten nu de vredestekens het Lam en het Kruis en aan de noordgevel zitten de tekens van de wereldlijke macht, de draak en het maalteken.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Hendrik Verhees werd op 7 december 1744 gedoopt in Boxtel en overleed aldaar op 23 april 1813. Hij was architect en vervulde vele openbare functies. Hij heeft veel schetsen, zoals hier aangegeven, getekend en het betrof vooral kerkelijke gebouwen in het gebied waar hij kwam tijdens zijn vele reizen, vooral in Noord-Brabant. Hij tekende ook in andere provincies.
De tekst in de hier afgebeelde fotocopie van de tekening uit het Handschrift van H. Verhees:
Onzen Lieven Vrouwenkerkje tot Oirschot tans de Boterwaag, den 23 junij 1794:
Een oud heijdens off Romeijns gebouw, geheel van tras off duijffsteen, wederzijds aan de noort en zuijdtzijde met twee steene caracters voorzien in duijffsteen uijtgehouwen dog sterk ingesleeten. Het coor is van een later bouworder en tot boven de sneijnding van duijffsteen, verders van gebakken steen. ’t Kerkje is duijster, en met klijne smalle gaslichten voorzien.
Caracters naerbij den hoek Caracters aan de Zuijdzijde
Aan de Noortzijde mede in Onder het glasraam, in duijffsteen. duijffsteen ingesleeten gehouwen gehouden dog sterk ingesleeten.
Sterk ingesleeten.

Het schetsenboek is in 1975 uitgegeven onder de titel ‘Het schetsenboek van Hendrik Verhees’ door J. van Laarhoven te s’-Hertogenbosch

Begin deze eeuw, in het najaar van 2003, werd de ‘Stichting Hendrik Verhees’ opgericht, met als doel bevordering van de kennis van de cultuurgeschiedenis van Boxtel en de Meijerij van ’s-Hertogenbosch.
Bovenvermeld cursief gedeelte is overgenomen uit het programmaboekje ‘Heemkundekring De Heerlijkheid Oirschot van het Brabants Heem 1966’ (3,4,5 en 6
Augustus)
JSm.

012
012

Aan de ingang van de Molenstraat rechts was de smederij van Van den Heuvel. De (houten) stellage is bedoeld om een paard in te zetten, zodat de smid het gemakkelijk kan ‘beslaan’, ofwel de ijzers onder de hoeven kan aanbrengen. Zo’n stellage werd ook wel een travaille genoemd. In een van de huizen links heeft Karel Appel, de kunstschilder van de COBRA-groep tijdens de Tweede Wereldoorlog een korte tijd gewoond. Links in het lichte pand woonde vroeger Janus van Kollenburg. De twee ramen rechts van de deur zijn bij het pand ernaast getrokken en vormen nu daarmee Café ’t Vrijthof. Het pand daarnaast, iets hoger dan de eerste twee, is Huize De Wereld, waarin nu een afhaalrestaurant is gevestigd. Het nog hogere pand daarnaast is het geboortehuis van katholiek staatsman Prof. C.P.M. Romme (1896-1980), wiens vader indertijd kantonrechter was. Het pand huisvest nu kledingzaak Verspaandonk.

Aan de kleding van de figuurtjes in de verte te zien, schatten we de foto uit de jaren 1910-1920.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De oude kadastrale leggers vermelden dat Johannes Petrus van den Heuvel zich in 1906 in dat pand als smid vestigde. Jan en zijn echtgenote hadden een dochter die later trouwde met Jozef Petrus Cornelis van Vroonhoven. Hij was directeur van de Rijks H.B.S. in Tilburg. In 1954 werd hij gedeeltelijk eigenaar van dit pand.
(Uit CAMPINIA, drie maandelijks blad van het streekarchivariaat Noord Kempenland, 1e jaargang pag. 204. ) JSm.

In de woning, links op de foto, woonde het gezin van Jan Beks, architect. Midden dertiger jaren raakte ik bevriend met zoon Peter en de familie. Later was ik er kind aan huis en dat heeft zeker tot eind 1950 geduurd. Na die jaren ‘verwaterde’ het contact. Wij hadden onze studies en ik kreeg verder mijn werkzaamheden in gemeenten buiten Oirschot. (Tegelen, Erp en Vessem)
Aan het volgende verhaal hebt u voor de heemkunde waarschijnlijk niets. Maar wat deden wij in onze jeugd?
In de tuin bij Beks hadden Peter en ik altijd wel een ‘hut’ gebouwd waar wij konden ‘werken’. Wij maakten soms 10 lotjes en gingen die verkopen voor één cent. Bij de familie de Vocht (woonhuis naast ‘La Fleurie ’) kochten ze altijd drie of vier lotjes en zij hadden dus ook altijd prijs. De prijzen kochten wij in de winkel van de dames de Croon (bij Drukkerij ‘de Croon van Heerbeek’ vooraan in de Koestraat), thans afgebroken) (plaatje 145) te weten 2 gummen en één potlood of twee potloden en één gum (5 cent). Een van die prijzen ging altijd naar familie De Vocht. Wij hadden dan ieder een lap (muntstuk van 2 ½ cent), Dit hebben we drie of vier keer volgehouden. (elke maand één trekking).
In de latere jaren, na de bevrijding, 1944-1946 raakten wij ook bevriend met een groepje, o.a. Ad en Han (tweeling) Mathijssen, Jo van Bree, Giel Geerlings, Ralf Kalfus en Paul van Beurden. Misschien waren er wel meer bij.
Maar waar het hier om gaat is het volgende.
Na de bevrijding hadden onze bevrijders veel vriendinnen en Jo en Han werden op een of andere manier op het vliegveld in Eindhoven gevraagd om de Nederlandse brieven van de liefjes voor de militairen te ‘vertalen’.
Twee voorbeelden.
Een dame schreef: “I love you lake and lake” en de andere: “With many pillows”. (vertaal zelf maar) Er waren meer zinnen, maar deze zijn me bijgebleven.

Voorbij de woning van architect Beks was een burgerwoning, die in de veertiger jaren bewoond werd daar een weduwnaar die voor de liefde naar Oirschot kwam en aldaar ook trouwde met AnnaVerhoeven, (bijgenaamd Den Does) Hij had twee kinderen, een jongen (Wim) en een meisje, dat later werkzaam was op de gemeentesecretarie van Best.
Dit pand is later verbouwd tot Café ‘Het Vrijthof’ (plaatje 16) door Frans Smetsers sr. die met zijn gezin vanuit café ‘De Woudgalm’ (plaatje 92) Rijkesluisstraat/Kanaalstraat ) naar de Molenstraat verhuisde. Hier hebben zijn zonen Jan en Frans het bedrijf voortgezet. De dochter van Jan nam later ‘De Woudgalm’ over.
Jan Smetsers had ook de woning van de familie Beks gekocht.
Later is van het architectenkantoor van de woning van de familie Beks een biljartzaal gemaakt en toegevoegd aan het café, en de woning werd verhuurd.
Gezin Smetsers-Rijken kwam in 1966 vanuit ‘De Reijsende Man’, aan de markt in het aangrenzende pand wonen. Eind 1988 is deze woning verkocht aan caféhouder Jan Smetsers. Achter die woning is een zaal aangebouwd en die woning heeft hij verhuurd. Thans is er een Shoarma restaurant. (± 1990).
De hoge woning op het plaatje (waar prof. Romme is geboren) was vroeger een chique villa en daarna is er de kazerne van de marechaussee in gevestigd geweest. Thans is er de kledingwinkel van Verspaandonk gevestigd. Achter dit pand zijn omstreeks 2019 twee woningen gebouwd voor de eigenaars en in het laatste huis op het plaatje woonde het gezin Vogels (kolenhandelaar).
(JSm. en ‘Oirschot een terugblik’Door Piet Bogmans)

014
014

In 1896 werd in dit huis de bekende KVP-politicus Professor Carl Romme geboren. Rond 1900 was in dit pand de marechaussee kazerne gevestigd, die later naar het Vrijthof verhuisde.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Carl Romme werd in deze (hoge) woning op 21 december 1896 geboren.
Zie beschrijvingen bij plaatjes 12 en 341.
We schakelen nu naar plaatje 20. (begin Molenstraat) Hierop een foto van een rij kinderen genomen van de (rechter) woning van Jan de smid tot aan de woning op de hoek Molenstraat/Rijkesluisstraat (buurman familie Beks). In deze woning woonde, ook weer in de dertiger jaren, slager Wijnhoven. De ingang van de winkel was aan de Rijkesluisstraat. Momenteel is het een kaaswinkel.
Voor de beschrijving van de woningen aan de linker kant, zie plaatje 12.

Het grote pand aan de voorzijde (rechts) is, zoals vermeld, het geboortehuis van prof. Romme ( zie ook plaatje 341) en in de woning daarvóór woonde in de dertiger jaren, vrijgezel M. Hobbelen of J. Kuijpers (hier woont in 2021 Hanneke van den Boogaart-Vugts en daarvoor de woning van het gezin Vogels (een zoon). Zij hadden een kolenhandel.
Achteraan op het plaatje zien we het pand waar in de dertiger jaren Manufacturenzaak ‘Kuijpers van den Heuvel’ gevestigd was.
‘Kuijpers van den Heuvel’ was een familiebedrijf met winkels in Woensel, Stratum, Strijp, (gemeente Eindhoven) Valkenswaard en Oirschot (Harrie Kuijpers), waarin familieleden de bedrijfsvoering hadden. Zie ook plaatje 326)
Momenteel (2020) is in dit pand hotel ‘De Kroon’ gevestigd.(eind jaren negentig)
Links vooraan op het plaatje, de ‘busgarage’ van het pand op plaatje 4.
Zie aldaar.
JSm

018
018

Het huis van Hendrik Termeer, eigenaar van de leerlooierij.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Hendrik Termeer, evenals zijn broer Janus waren leerlooiers. (Zie plaatje 13)
Hier zullen we Hendrik Termeer als gemeentebestuurder volgen. Hij was zeer verdienstelijk in de gemeentelijke politiek.
In 1939 vond de raadsverkiezing plaats. Janus v.d. Heuvel trad in dat jaar af als raadslid nadat hij deze functie 33 jaar vervuld had inclusief vier jaar wethouder. Hij was ook ambtenaar van den burgerlijke stand.(woonde in het laatste pand (links) aan de Nieuwstraat. zie plaatje 132)
Vanaf 1927 tot 1949 was Toon Kemps wethouder, die toen ook na 33
jaar aftrad.

Hendrik Termeer was vóór de oorlog ook wethouder, hetgeen o.a. blijkt uit zijn betrokkenheid in 1938 bij het afscheid van burgemeester Ch. Janssens (1928-1938) en als locoburgemeester mocht hij op 26 april 1938 Ed. Steger als burgemeester installeren.
Tijdens de oorlogsjaren was het gemeentebestuur buiten functie.

Tot 1 september 1941 bleven de lagere overheden volledig intact. Bij verordening van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, een van oorsprong Oostenrijkse nationaalsocialist, werden met ingang van die datum bij verordening 152/1941 aan de gemeenteraden en Provinciale Staten de bevoegdheden ontnomen. Dit betekende dat de burgemeester de macht kreeg die vroeger aan de gemeenteraden en de colleges van burgemeester en wethouders was toegewezen. De commissaris van de provincie – vroegere Commissaris van de Koningin kreeg de taken van de provinciale en gedeputeerde staten toebedeeld.

Na de gemeenteraadsverkiezingen (de eerste na de oorlog) in 1946 was Hendrik Termeer weer wethouder, samen met Toon Kemps, en waarnemend burgemeester, omdat burgemeester Ed. Steger in eerste instantie niet herbenoemd werd als burgemeester. Hij is later wel weer als burgemeester herbenoemd.

Na de verkiezingen in 1949 werden de mandaten als wethouder van Termeer en Kemps niet verlengd en in 1953 legde Termeer zijn functie als raadslid neer.
Zij werden als wethouders in 1949 opgevolgd door de heren Breekelmans en Jan Mercx sr., die in 1951 hun functie neerlegden. De heren Van Genechten en Beekmans volgden hen op. In 1954 overleed wethouder van Genechten* en werd opgevolgd door C. Meurs* (oude Grintweg), die in 1958 plaats maakte voor Hein van Overbeek (eigenaar Hotel ‘De Zwaan’).

*Voorheen waren de wethoudersposten verdeeld over boeren en middenstanders. Bij de benoemingen van deze twee heren deed de ‘werkliedenbond’ in de politiek mee.

Voor en direct na de bevrijding was de gemeentesecretaris Dr. M.A.M. van Helvoort , inmiddels gepromoveerd, waarnemend burgemeester. Burgemeester Ed. Steger was ondergedoken .
Op 8 december 1945 werd de gemeentesecretaris benoemd tot burgemeester van Boxtel. Het was die dag en de dag daarna vreselijk koud en de geleende bloemen voor het feestje dat we gevierd hebben op de secretarie, waren allemaal bevroren.
Ria Meeuwis, dochter van Piet (van Meeuwis karakter meubelen) en ik zijn door secretaris van Helvoort benoemd op de gemeentesecretarie.

Nog even een opmerking over de opvolging van secretaris van Helvoort. In april 1946 werd de heer J.J.C. van der Velden (Oisterwijk) benoemd, die in 1963 overleed en opgevolgd werd door de heer A.F. de Luy in 1963. (loco-secretaris) Deze overleed op jonge leeftijd op 21 december 1970.
’25 jaar Oirschot’ door Jan Rogier (geschreven tijdens het burgemeesterschap van E,A,M,A. Steger) 1963 en JSm.

021
021

Huize Groenberg (op plaatje 15 staat de achterkant) is waarschijnlijk gebouwd in 1613 Jan Daems, kanunnik van het Kapittel en vanaf 1629 door Maarten Christiaan Sweerts de Landas, die heer van Oirschot en kwartierschout van Kempenland was. Er hebben meerdere gezagsdragers (Sweerts de Landas) in gewoond. Na de tweede wereldoorlog heeft Hein van Overbeek (uitbater van de Zwaan) er gewoond en tevens een bioscoop in geëxploiteerd.

Aanvulling Sjef Smetsers :

Voorgevel Huize Groenberg Molenstraat
Zie ook plaatje 15
Als we de lijst van onroerende monumenten in de gemeente Oirschot
Raadplegen, wordt voor dit pand de navolgende omschrijving gegeven: “Huis Groenberg is in 1613 gebouwd door de schout van Kempenland, later een tijdlang kanunnikenhuis. In XIX wordt het burgemeesterswoning. Dubbel rechthoekig huis van twee verdiepingen met hoge zadeldaken tussen eenvoudige trapgevelparen aan de korte zijden. Jaaranker 1613 in de gewitte voorgevel. Ingangspartij uit p.m. 1825 bovenlicht waarin motief van witte roeden met ovale krans in Empire-trant. Ramen met kleine roedenverdeling.”
Aan de hand van kadastrale leggers kan worden opgemaakt dat als burgemeester in dit pand gewoond hebben:
In 1925 Carl Herman Marie Joseph Jan van Nispen tot Sevenaer;
In 1928 Charles Wllem Ernest Ghislain Jansens.
Voordat burgemeester ven Nispen tot Sevenaer eigenaar werd, woonde er notaris Henricus Antonius Franciscus Hoppenbrouwers.
Ook zou er in 1830 de naam van Wilhelmus (arts) Guljé (1777-1856) in voorkomen.
In ‘Historisch Oirschot’ komt op Plaatje 339 voor:
Johannes Guljé als arts (in 1850) in Oirschot. Zijn vader was Willem Francis. Mogelijk was voornoemde persoon zijn vader.
Nu gaan we plaatje 21 verder bezien.
(De volgende gegevens tot 1978 zijn van Topy Mertens)
Aan de linkerzijde van het plaatje zien we een aanbouw. Voor deze aanbouw was opdracht gegeven door notaris Hoppenbrouwers om aan het verzoek van zijn vrouw te voldoen. Zij had vanuit de woning geen uitzicht op straat en in het ‘tuinhuis’, zoals de bijbouw werd genoemd, was er volop gelegenheid.
In 1938 werd burgemeester Jansens opgevolgd door burgemeester Steger en heeft hij ‘Groenberg’ een tijd verhuurd aan de nieuwe geneesheer in Oirschot, dokter Scholman, die van het tuinhuis garage/berging maakte. Tijdens zijn verblijf aldaar is er een grote brand geweest.

Nu ga ik (JSm) verder
Nadat Cornelis Egidius van Leuven, na Jansens, nog eigenaar is geweest, werdHenricus van Overbeek eigenaar en ging in dat pand de eerste bioscoop van Oirschot exploiteren.
Het tuinhuis werd ingang naar de bioscoop en de kamers daarachter werden bioscoopzaal incl. balkon.
De filmoperateur was de heer Wolfram, die in Oirschot woonachtig was. Henk van Overbeek, de zoon van Henricus, werd door de heer Wolfram opgeleid als filmoperateur.
De rest van de woning werd bewoond door het gezin van Overbeek en op de eerste verdieping woonde zoon Henk, die gehuwd was met Riny van Gils. Riny wist hier nog van want dochter José, geboren in 1952, moest wel eens van de slaapkamer gehaald worden als ze huilde, want dan was ze op het balkon hoorbaar.
Toen apotheker Peter Mertens met zijn echtgenote Toby Slingerland in 1978 in ‘Huize Groenberg’ gingen wonen werd de bioscoop verbouwd tot apotheek.

Voor de 2e bioscoop: zie ‘De Zwaan’ (plaatjes 79 t/m 83)
Toen Hein van Overbeek eigenaar werd van ‘de Zwaan’ is de bioscoop van ‘Huize Groenberg’ verplaatst naar ‘De Zwaan’ aan de markt.
De ingang van de bioscoop was door de hoofddeur. Tegenwoordig kom je dan uit bij een open haard, vergaderzaal links en bar. Via een trapje (rechts) kom je in het café.
In de bioscoopperiode was er geen open haard en op de plaats van de bar en verder door naar achteren, waren de toiletten.
De zaal was de bioscoopzaal en de verhoging naar het café was het balkon. De bar was verder in het café verplaatst.
In 1968 is de Zwaan verkocht aan brouwerij ‘De Kroon’. Al eerder was de bioscoop niet meer aanwezig.
Campinia driemaandelijksblad van het streekarchivariaat 1e jaargang

023
023

Het marktplein was onverhard en er stond een kiosk op. Ook was er een omheind terras, waar men gezellig kon zitten.

Aanvulling Sjef Smetsers.

Voor de markt: zie plaatje 10
De tekst op plaatje 23 ‘Tehuis van het ‘St. Sebastiaangilde’ staat er natuurlijk niet voor niets op, maar de verwijzing is wel een beetje moeilijk, want waar moeten we het ‘Tehuis van het gilde‘ vinden?
In de jaren rond 1840 had het gilde ‘Sint Sebastiaan’ haar tehuis in herberg ‘Het Molenaarshuis’, het pand dat we nu kennen als café ‘Oud Brabant’. Het was dus in dat pand waarop de tekst staat vermeld op plaatje 23. (Oog op Oirschot pag. 312, tweede kolom)
Op het plaatje staat links eerst de helft van het pand waar thans (2020) ’t Bint gevestigd is, daarnaast café ‘Oud Brabant en daarnaast café de ‘ ‘Bonten Os’. De top van het laatst genoemde pand steekt boven de bebouwing uit.

We gaan nu verder met ‘het raadhuis’ zoals aangegeven op plaatje 23.
Voor raadhuis: zie ook plaatjes 28, 31, en 32.
Voor dit gedeelte maak ik o.m. gebruik van de tekst in Oog op Oirschot, pagina 200-209.
In 1513 wordt opdracht gegeven aan de “scepenen, geswoerenen, raitsheeren achtmannen, kerckmeesters, heyligeestmeesters, ende eensdeels der gemeynder nagebueren der vrijheyt van Oerschot” voor het bouwen van een “nieuwe raithuys schoen, verheven van stenen ende hout.” Men omschrijft dan ook de ruimtelijke indeling als volgt: “Onder met eender fouten (een gewelf, het franse woord “voûte”) omme vleesch, eyer, boter, hoender ende andere waere dairinne te vercoepen, met enen cleynen woenhuys dairaan (onderstreping door JSm) te doen maken”.
In 1496 had men al getracht een huis te kopen aan het Vrijthof; tot “behoef der vryheyt”, een koop die geen doorgang heeft gevonden.
Op pagina 202, rechter kolom, van Oog op Oirschot, wordt ingegaan op de ‘plaats van de woning’ (regel 24 van boven) “In de begane grondruimte is wel in de achttiende eeuw een indeling gemaakt, die, behalve arrestantencellen, een woning bevatte.”
Het raadhuis is in de loop van de eeuwen vele malen verbouwd. Onder leiding van restauratiearchitect A.A.Kok raakte in 1938-1939 bij de restauratie de voorgevel zijn 19eeuwse pleisterlaag kwijt. (plaatje 28)
Er was dus in het gemeentehuis een woning. Voor de verbouwing in 1938-Zij verhuisde naar het pand, thans (2019) Torenstraat 8. (Bij de familie van Beers hadden zij een goede voetballer, Jantje, die hard kon lopen (het treintje) en een fervent brandweerman was. De voetballer en de brandweerman waren misschien wel dezelfde personen).
Op 12 december 1979 werd de eerste spade in de grond gezet voor de nieuwbouw en in de zomer van 1981 konden de ambtenaren het oude raadhuis verlaten en het nieuwe gemeentehuis aan de Deken Frankenstraat betrekken. (Erfgoed Wiki)
JSm. Oog op Oirschot

024
024

De kiosk op de markt had boomstammetjes als staanders. Er stond echter ook nog een stalen geraamte dat het dak droeg.

Aanvulling Sjef Smetsers

Uit het tijdschrift van ‘Van den Herd’ 2009-nr.?, uitgave van de ‘Heerlijkheid Oirschot’schrijft Clarie van Es-Hout een uitvoerig verhaal over het ontstaan van de kiosk.
Clarie begint haar verhaal met een tekening van begin 17e eeuw. Die tekening is te zien (onderaan in het midden) op plaatje nr. 10. Hierop zien we een kring bomen met in het midden een boom die hoog boven de andere bomen uitsteekt. Rechts/boven van het kaartje is een afbeelding van ‘het boterkerkje’ met een pleintje te zien, waarop nog geen huizenblok met de Zwaan voorkomt, dus was de bomengroep eerder aangeplant dan het huizenblok gebouwd is.
In de kring van de bomen stonden banken en waren palen aangebracht om de centrale boom te ondersteunen. In een besluit van 1768 staat vermeld om de palen, banken enz. geheel te vernieuwen. Al jaren werd gesproken om deze te vernieuwen, maar dit is uiteindelijk niet doorgegaan. Er waren andere plannen.
Verder lezen we in Oog op Oirschot pag. 312 e.v.):
In de jaren rond 1840 had het gilde ‘Sint Sebastiaan’ haar tehuis in herberg ‘Het Molenaarshuis’ het pand dat we nu kennen als café ‘Oud Brabant’. Het was in dat pand dat enkele gildebroeders samen kwamen om te zoeken naar mogelijkheden om hun gilde naar buiten toe nog meer aanzien te geven. Het resultaat was dat op 10 juli 1843 de oprichting van Muziekvereniging “Sint Sebastiaan” een feit was.
Oirschot heeft nu haar eigen muziekkorps, ontsproten uit het gilde en geeft het korps in 1847 de naam “Arti et Amicitiae”
Anthony, Antoon of gewoon Toon Somers heeft veel voor de harmonie betekend.
Toon Somers was behalve eigenaar-exploitant van Hotel-Bierbrouwerij ‘De Zwaan’, musicus en directeur van Harmonie ‘Arti et Amicitiae’, terwijl hij ook nog raadslid was.
Bij gelegenheid van het 60-jarig jubileum van de harmonie was men voornemens om tussen de kring van boompjes, zie hierboven, een kiosk te plaatsen.
Als raadslid had Toon Somers in de gemeenteraad als opponent wethouder Teuntje van Heumen, die tegen het plaatsen van de kiosk was, maar in 1903, bij gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de harmonie werd de kiosk toch op feestelijke wijze in gebruik genomen.
(Uit: twee kermisliederen uit Oirschot aangeboden t.g.v. het 15-jarig bestaan van de Vriendenkring van het Museum de vier Quartieren, 17 januari 1993.)
Persoonlijke noot:
Vooraf: We hebben een prachtige muziekvereniging.
Toch jammer dat het ‘dorpse’ is verdwenen, o.m. festivals, serenades e.d.
( zie ook plaatje 173- wat een feest was dat). We moeten ons bij de tijd neerleggen. Uit informatie is gebleken dat vele muziekgezelschappen het moeilijk hebben om een harmonie of fanfare ‘op de been’ te houden. Maar ja, om met anderen te zeggen we hebben de herinneringen nog en de foto’s.
En ôk, blèf meziek maken. Ut is zû skon en môi.
Ook plaatjes 25-27-29-33.

026
026

Café ‘De Harmonie’, links van het Raadhuis. In het begin van de 20e eeuw was dit het café van Thomas Somers. Hij was de broer van Antonij Somers, uitbater van De Zwaan aan de overkant van de Markt. Antonij was meer dan veertig jaar dirigent van Harmonie ‘Arti et Amicitiae’ (voor de kunst en voor de vriendschap), die als repetitieruimte de Harmoniezaal achter het café gebruikte. Later werd het café uitgebaat door de dames Van den Boomen en hun jongere familieleden (de naam veranderde in ‘Sint Marten’). Nu behoren zaal en café bij restaurant ‘De Burgemeester’.

Aanvulling Sjef Smetsers

Dit café is reeds jaren in handen van de familie van den Boomen. Achter het café gelegen aan de Nieuwstraat was de zadelmakerij, welke thans bij het café is getrokken. Achter het gemeentehuis om was/is een zaal waar vroeger de harmonie repeteerde. Thans is het vergaderzaal Op het café aan de voorkant waren de letters HARMONIE aangebracht. Van de zaal kan ik me nog herinneren dat daar circusvoorstellingen waren. Er werd een ronde piste aangebracht en daarop kwam ‘de vloer van zand’. Hoe het verder ging weet ik niet meer.
Dat bij nagenoeg elk gemeentehuis een café was werd vroeger uitgelegd als dat daar altijd wel mensen zaten. Tot 1934 moesten er bij een geboorteaangifte twee getuigen aanwezig zijn, die dan soms uit het café werden gehaald.
Bij een huwelijk waren vier getuigen nodig, maar die waren meestal wel aanwezig, omdat ze op het feest genodigd waren.(JSm)

033
033

Op deze foto worden de ‘ronde lindjes’ gerooid (omgedaan, op z’n Oirschots) en ook de prachtige kiosk zal het veld moeten ruimen. We schrijven 1958 en het marktplein zal bestraat gaan worden. Tot die tijd was de Markt een groot plein van aangestampte aarde, zoals ze nog bestaan in die Franse dorpjes die wij zo romantisch vinden. Nee, bestraten is veel praktischer en als daar een stukje romantiek voor moet wijken…

De bedrijven aan de overkant van de straat zullen er ongetwijfeld blij mee zijn geweest. Het gebouw rechts is Café Megens (nu ABN-Amro bank), een vrij nieuw gebouw nadat de voorganger tijdens een storm door een grote boom was vermorzeld (zie foto 51). In het midden De Bazar van de familie Geerlings, waar men allerhande huishoudelijke artikelen verkocht. Nu zit daar de firma Blokker. Het linkse pand is anno 1958 de Babyluxe, waar de babyboomgezinnen hun baby- en kindergoed kochten. Tegenwoordig is het café De Wildeman.

De Bazar was gehuisvest in Huis De Ster, café Megens in Huize van Antwerpen, zoals de gevelstenen nu nog steeds aangeven.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Zie ook plaatjes 24-25-27-29
Op 12 juni 1957 heeft de harmonie haar laatste concert gegeven op de kiosk en gingen de bomen voor de bijl.
Er zijn nog even wensen kenbaar gemaakt om weer een vaste kiosk te plaatsen, maar de reactie hierop is bekend. In augustus 1958 stond er een verplaatsbare kiosk op de markt, waar de harmonie bij gelegenheid van haar 115 jarig bestaan een concert gegeven heeft.
Wat hebben we nog? De ronde cirkel op de plaats van de kiosk (plaatje 25) en de vele fijne herinneringen van de concerten op de kiosk (Clarie ven Es-van Hout Canon van Oirschot kiosk)

037
037

Schilderij gemaakt door Anton Kruijsen die tijdens de tweede wereldoorlog in het pand woonde aan de markt, waar nu het Bint zich in heeft gevestigd.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Zie ook plaatje 1.
Anton Kruysen is op 4 maart 1898 in Boxtel geboren als oudste zoon in het gezin van 16 kinderen van Jan Kruysen (1874-1938) en Barbara van Dijk (1878-1915).
Na zijn militaire diensttijd gaat Anton naar de Rotterdamse academie waar hij Willy van Berkel leert kennen, de dochter van de bekende fabrikant van ‘van Berkel’s weegschalen en winkelsnijmachines’ (dertiger jaren).
In 1920 wordt hun zoon Pimy geboren, die in 1928 sterft waarna zijn ouders naar Genève vertrekken waar hij wordt ingeschreven bij de academie. Later heeft hij ook in Parijs een atelier.
In Aix-en-Provence verblijven zij van 1930-1933 waar hun zoon Bernhard geboren wordt, die later een beroemd zanger zal worden en ook veel in het buitenland optreedt.
In 1933 verlaat Willy de schilder en kort daarna leerde hij Louck Donné kennen, waarmee hij in 1935 trouwt.
Na zijn huwelijk met Loeky woonden zij vanaf ongeveer 1936 tot na de Tweede Wereldoorlog in Oirschot in het pand aan de markt, waar thans (2020) ’t Bint gevestigd is, voorheen de drogisterij van Jo Latour. (buren van café ‘Oud Brabant)
Vooraf hadden Anton en Loeky in diverse plaatsen gewoond o.a. in Vleuten, Zaltbommel, Eindhoven, Hoensbroek en Appeltern. In Appeltern was in de kerk een kruis van Anton te zien, die inmiddels in het bezit is van de stichtring Kruysenhuis. In Hoensbroek heeft hij ondergedoken gezeten en kort voor de bevrijding is hij nog opgepakt geweest door de SS. Hierover bij mij niets bekend.
Na 1943 kwam ik in contact met Anton en Loeky. Ik kwam ook bij hen aan huis. Hij spoorde mij aan om ook te gaan schilderen en kreeg lege tubes, die je nodig had om verf te kopen bij ‘De Croon van Heerbeek’ in de Koestraat. In de tijd tekende ik wel maar alles bij elkaar was het toch onvoldoende om schilder te worden en ik moet opbiechten dat het vak mij ook niet lag.
Bij mijn bezoeken aan hen speelde hij altijd op zijn pijporgel en zong meestal Maria liederen. Het was er altijd gezellig. Vóór zijn vertrek uit Oirschot had hij brandweerlieden opdracht gegeven goederen van hem op bepaalde plaatsen te bezorgen. Naar ik vernomen heb zijn vloerkleden bij diverse mensen bezorgd. Het orgel werd, verpakt in kisten, bij ons bezorgd. Later is het beschikbaar gesteld aan de kerk waar kapelaan Vogels van onze parochie pastoor geworden was.
Pas in 1946 maakt Anton kennis met de ouders van Loeky in Villemeux, in welke plaats zij tot 1950 zijn blijven wonen. Vanaf 1951 tot 1955 woonden zij in Charpoint, waarna zij in 1947 naar hun geliefde plaats Chartres vertrokken en waar Anton op 4 april 1977 overleed.
JSm
Anton was levenslustig, temperamentvol en impulsief en heeft op vele plaatsen geëxposeerd. Zijn karakter en persoon klinken ook in zijn schilderijen door. Uit de veelheid van onderwerpen is op te maken, dat Anton Kruysen een geïnspireerd, visionair schilder was. Onderwerpen als begrafenissen, woonwagenbewoners, kermissen, straatmuzikanten, clowns, zwervers, dronkaards, mensen aan de zelfkant van de maatschappij, trokken hem het meeste aan. Vanwege zijn verschillende manieren van schilderen, is hij niet direct in een bepaalde stroming onder te brengen.
( Overgenomen uit de catalogus ter gelegenheid van zijn expositie in 1992 in Museum Kempenland Eindhoven (Peter Thoben))

038
038

Zelfde marktkant als plaatje 36; ook weer de meubelwerkplaats en gezellig ‘buurtende’ Oirschottenaren waaronder Kees Smetsers, de latere eigenaar van Smetsers oliehandel.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Op 12 april 1905 kwam Jan Smetsers er achter wat voor mogelijkheden olie te bieden had.
Hij bezit een boerderijtje met een paar appelbomen, een paar koeien en een paard en steeds meer mensen gaan koken op olie.
Er wordt een contract getekend met ‘De Automaat’ later Esso. Jan Smetsers wordt de eerste relatie van deze oliemaatschappij in Oirschot.
Bezorging langs de woningen ging met de bakfiets en later met paard en wagen.
Vader Jan moet het in 1935 om gezondheidsredenen rustiger aan gaan doen. Hij heeft een goed lopend bedrijf opgebouwd dat door zoon Kees wordt overgenomen. Kees kwam uit een gezin van vier kinderen. Hij had een zus en twee broers waren toegetreden tot de fraters van Tilburg.
Kees trouwde met Marie van Hoof en samen kregen zijn tien zonen.
Het bedrijf werd groter en in 1949 werd de eerste tankauto aangeschaft.
In 1970 was in Waspik een nieuw depot gevestigd met een opslagcapaciteit van 7 miljoen liter.
Tot de activiteiten van de familie Smetsers behoorden ook de exploitaties van bezinepompstations, o.a. in 1976 een verkooppunt aan de rijksweg Eindhoven-Tilburg door Jan en Kees Smetsers, die samen ook de handelsonderneming ‘Hoso bv’ oprichtten (dierengeneesmiddelen, ontsmettings-middelen etc.)
(zou daarom in een andere kerk worden gevierd)
Waar hoort deze zin thuis???
Frans richtte voor zijn benzinestation: het Esso Self Service verkooppunt op aan de Karel de Grotelaan 10 in Eindhoven.
(zou daarom in een andere kerk worden gevierd)
Waar hoort deze zin thuis???

Bij het 75 jarig bestaan van ‘Smetsers Oliehandel’ BV was het bedrijf in handen van Kees Smetsers sr. Cees van Haaren, die sedert 1953 als boekhouder in dienst kwam en zoon Ad Smetsers.
In 1984 komt het hoofd van de boekhouding te overlijden en neemt Ad alle aandelen over.
Nog enkele jaartallen met de daaraan verbonden geschiedenis:
1988 Smetsers Oliehandel bv. verkoop aan BP.
Grote vermindering in de omzet huisbrandolie en petroleum;
1990 Samenwerking met Timoill in Roermond, ook een dochter van
BP. Later kwamen daar nog bij Schimmel bv uit Reek en Roberts
Munstergeleen;
1993 Verhuizing van bovenstaande samenwerkende bedrijven naar Eindhoven onder de naam Tisco;
1994 Nieuwe oliehandel opgestart door
Jan Smetsers, oudste zoon van Kees Smetsers sr.;

1995 OVERLIJDEN KEES SMETSERS SR.

1995 Ad Smetsers neemt de oliehandel over van (broer) Jan Smetsers
en bouwt een nieuw pand aan de Industrie 26 (1997)
Het bedrijf, Oirschot Olie bv. richt zich voornamelijk op de handel en levering in smeermiddelen;
2014 Oirschot Olie bv. wordt overgenomen door Den Hartog uit Groot
Ammers. Er werkten toen ongeveer 25 personen bij ‘Oirschot Olie bv’.

Dit was het einde van ‘Smetsers Oliehandel bv. Oirschot.
( Ad Smetsers Turnhout (Be)

Wie zal nog weten dat Kees met zijn vriend Noud van Haren van de Oude Grintweg samen ’s-avonds als conferenciers optraden bij boerenbruiloften. (zie ook plaatje 142)

039
039

Het linker pand is Oud Brabant, een echt oud Oirschots café in het verleden uitgebaat door de familie van Esch (tevens molenaar op de Watermolen). Rechts In Den Bonten Os, waar in het verleden de familie Wagemans een koperslagerij (loodgietersbedrijf) had. In 1968 kwam daar een Chinees in.

Aanvulling van Sjef Smetsers

‘Café Oud Brabant en den ‘Bonte Os’
Eind 1920 was den ‘Bonte Os’ nog een café voordat het een koperslagerij werd van de gebroeders Piet en Gabrielle Wagemans.
Bij het Heem is een foto aanwezig en daar staat het bruidspaar Van Leuven-Wagemans op met familie. Achteraan rechts op die foto de vader van de bruidegom, die woonde in het middelste huis hierboven besproken.
In ‘De Bonte Os’ (nog nooit zônne lilleken os gezien die na een brand geschilderd is bovenin de gevel.) heeft zich na beëindiging van de koperslagerij een chinees café gevestigd, maar inmiddels is het een jongerencafé. JSm

De tekst op plaatje 23 ‘Tehuis van het ‘St. Sebastiaangilde’ staat er natuurlijk niet voor niets op, maar de verwijzing is wel een beetje moeilijk, want waar moeten we het ‘Tehuis van het gilde‘ vinden?
In de jaren rond 1840 had het gilde ‘Sint Sebastiaan’ haar tehuis in herberg ‘Het Molenaarshuis’ ,het pand dat we nu kennen als café ‘Oud Brabant’. Het was dus in dat pand waarop de tekst slaat vermeld op plaatje 23. (Oog op Oirschot pag. 312, tweede kolom)

Het Café Oud Brabant is een authentiek dorpscafé met een prachtig uitzicht op de historische markt van Oirschot en omstreken waar u kunt genieten van Brabantse gastvrijheid. Een gevarieerd publiek bestaande uit vaste vriendengroepen, families, maar ook zakenlui en toeristen laten zich verrassen door de uitgebreide drankenkaart. Daarnaast hebben zij een mooie bierkaart met verschillende speciaal bieren zowel van tap als fles.
Naast dat je kunt genieten van een kop koffie en een krant aan een van de tafels of in de serre, kun je in de weekenden ook terecht voor een avondje uit.

Er moet bij de heemkunde een kaart zijn waarop de ‘Bonten Os’ als café voorkomt. Die foto is gemaakt op de huwelijksdag van Janus van Leuven, gemeenteontvanger van Oirschot met zijn bruid Anna Wagemans en familie.
Het café was eigendom van de familie Wagemans waarin woonden de gebroeders/zusters Piet, Simon, Gabriëlle, Pita en Anna.
Nadat Simon getrouwd was, heeft hij met zijn zwager Janus van Leuven aan de Spoordonkeseweg nagenoeg dezelfde huizen gebouwd, staande naast Huize Sonnevanck.
Piet en Gabriëlle waren koperslagers en hebben, nadat het cafébedrijf was opgeheven, hun koperslagersbedrijf inclusief winkel in dat pand gevestigd en zijn met hun zus Pita in de woning/winkel blijven wonen.
In dit pand vestigt zich in 1968 een chinees restaurant.
Het was een aanwinst voor het dorp, maar door een grote brand op 16 maart 1991 was de eigenaar genoodzaakt het bedrijf te sluiten. (VYMaps.com)

043
043

Voor deze mooie foto van een deel van de Markt zijn we te rade gegaan bij Ad van Zelst, geboren en getogen Oirschottenaar en lid van de heemkundekring. Hij vertelt:

“In het pand helemaal links, dat nog gedeeltelijk zichtbaar is, zat de damesmodewinkel Roefs & Co van Hein en Toos van den Eijnde-Roefs. Later is daar Boekhandel De Croon in gekomen. Rechts daarvan staat het woonhuis van Dries van den Oetelaar, die een taxibedrijf had. De poort was de achterom waar hij een werkplaats had voor het onderhoud.

Daarnaast slijterij “De Drie Linden” van Willem van Kollenburg, met achter dezelfde deur verkoop van levensmiddelen onder de vlag van A&O. Willem was de vader van Mr. Pieter van Kollenburg, initiator van de gelijknamige stichting. Later kwam daar de slagerij van Cas Smits in. Het meest rechtse pand is de EDAH supermarkt. Later kwam daar Drogisterij Latour, daarna de Etos en nu zit er ‘t Bint.

We zien nog televisieantennes op het dak en een verkeersbord naar de autoweg naar Tilburg. Waarschijnlijk was de Rijksweg 63 (nu A58) nog niet doorgetrokken tot Eindhoven. Het verkeer werd door de Koestraat naar de oprit bij de Boterwijksestraat geleid. Ik schat dat de foto tussen 1959 (opening rijksweg gedeelte Tilburg-Oirschot) en 1962 (overlijden Willem van Kollenburg) is gemaakt.”

Aanvulling Sjef Smetsers.

In het pand links was vroeger het café van Gijs de (of van) Rooij en daarna was taxibedrijf Dries van den Oetelaar. Daarnaast Slagerij Cas Smits (plaatje 42) en daarnaast de slijterij en kruidenierswinkel van Willem van Kollenburg met echtgenote Marie. Zij waren de ouders van Pieter van Kollenburg, vrijgezel, die zijn bezittingen onder bracht in de ‘Mr. Pieter van Kollenburgstichting’ ten behoeve van het culturele leven in Oirschot. In 2020 is de stichting opgeheven.

Nu toch nog een beetje Oirschotse geschiedenis bij het volgende pand.
In 1923 kocht Henri van den Velden uit Tilburg van Fons Tret het huis waar thans (2020) ’t Bint’ gevestigd is.
Wie was Henri van der Velden? Henri v.d. Velden (1863-1940) trouwde met Antje Mommers (1862-1915) en zij hadden 6 kinderen.
Zij hadden in Tilburg een flinke kruidenierswinkel en in de loop der jaren groeide het bedrijf als kool en werden diverse filialen gesticht zoals o.a.in Nijmegen, Breda, Prinsenbeek, Breda, Oisterwijk etc. Het waren echte filialen waarvan het personeel in dienst was van de fa. v.d. Velden. Later is het bedrijf een compagnonschap aangegaan. Wanneer is niet meer na te gaan, maar in 1912 is het opgeheven. Later ging het bedrijf grossieren, werden filialen opgeheven en ging het bedrijf zelf een eigen merk voor koffie en thee voeren (Veënco).
In 1923, toen Henri 60 werd, droeg hij het bedrijf over aan zijn zonen Kees en Jan en kocht, zoals hierboven vermeld, een woning van Fons Tret. Hij ging daar ook met twee dochters, Bertha en Gerrie en Harrie, zijn jongste zoon, wonen. Harrie startte de van familiewege gekregen kruidenierswinkel hiernaast. (Later van Kollenburg)
Gerry leerde in Oirschot Jos van Genuchten, onderwijzer in Eindhoven, kennen, die op den Heuvel in Oirschot bij zijn moeder en twee zusters woonde. Zij verhuisden na hun huwelijk naar Eindhoven, waar Annie (1926) en Henk (1928) werden geboren.
( Sjef van Genuchten was de broer van Jan van Genuchten, hoofd van de lagere school in Straten. )
Vader Henri ging met zijn dochter Gerrie (het echtpaar van Genuchten-van der Velden) mee naar Eindhoven en Bertha, die in Tilburg al verkering had met Gust Stalpers ging na haar huwelijk in 1928 naar Tilburg.
Toen Bertha vertrokken was zat Harrie alleen in het pand. Zijn vader Henri was met dochter Gerrie en gezin van Eindhoven uit teruggegaan naar Oirschot. Hier is in 1929 zoon Joop geboren. (Na dit gesprek over het hierboven besprokene is Joop in Best in 2021 3 augustus) plotseling overleden.)
In 1930 trouwde Harrie met Jet Werners uit St. Oedenrode en ging in het huis wonen, dat hij in 1934 verkocht aan het gezin Van Kollenburg.
Henrie ging naar de Sint Anna Stichting in Nijmegen en Gerrie ging met haar gezin in 1938 weer in Eindhoven wonen, waar in 1932 hun vierde kind Ben werd geboren.
In 1934 verkocht Harrie zijn winkel aan Willem van Kollenburg met zijn Marie(tje)
( uit: “De Van der Velden’s van toen” door Mevrouw Ad v.d. Dries in samenwerking met de kinderen v.d. Velden en Joop van Genuchten Ϯ 3 augustus 2021)
Overleden: Opa Henri v.d. Velden in 1940, Jos van Genuchten. (plotseling) in 1971 en zijn echtgenote Gerrie kwam in Huize St. Joris in Oirschot wonen en overleed daar in 1984.
De woning is door Van der Velden verkocht aan Cees van Leuven en verplaatste Piet Zeeuwen, die toen bedrijfsleider was bij EDAH, de winkel naar het pand aan de markt (thans ’t Bint) (zie plaatje 45). Later, ging EDAH zich vestigen op het standaardplein en nadat de EDAH-winkel is opgeheven heeft ACTION NON FOOD zich in dat pand gevestigd.

044
044

Een prachtige foto van Café-Restaurant Princée aan de Markt, rond 1950. De Princée’s hadden een slagerij en een café. De voormalige slagerij staat er nog steeds, nu als woonhuis, op de hoek van de Markt en de inrit naar Princéehof. Tegen de zijgevel van dat pand kunnen nog vaag de witte letters “Hotel Princée’ in een blauw vlak gelezen worden.
Het pand dat op foto 35 links staat en waarvan de foto van 1950 de begane grond toont, heeft een vroeg-20e eeuwse bouwstijl maar bestaat niet meer. Er staat nu een modern pand dat qua contouren goed past bij de historische panden aan de markt. Op de gevel van het pand links op de foto uit 1950 staat ‘meubelen’. In het pand “De 3 Croonen” is nu een Grieks restaurant gevestigd.
Op de foto van links naar rechts:
Man 1: Waarschijnlijk Keesje Miel (Joannes), maar mogelijk Willie van Kollenburg.
Man 2: Peer Hems (dus niet de vader van Louis de Kok)
Vrouw 1: Onbekend.
Vrouw 2: Marie van Lijsdonk-van Summeren (tante van Jeanne van Summeren de zangeres):zij werkte bij Princee
Jongen: Zoon van Marie, waarschijnlijk Henk, die later verzekeringsagent is geworden.
Rectificatie 28-01-2020

Aanvulling Sjef Smetsers.

Vader en moeder van Louis de Kok, links hun huis en werkplaats
Bij navraag blijkt dat vader en moeder de Kok niet op dit plaatje voorkomen. Wie wel? Eén is JSm wel bekend: Jan Jansen, eerste tamboer van de harmonie Arti et Amicitiae en werkzaam als kleermaker in het bedrijf van zijn vader (plaatje 40).
Op plaatje 44 staat links, zoals aangegeven, de woning en werkplaats (meubelen) van Vader Frans de Kok.
De meubelmakerij was in de Heistraat en is in 1937 afgebrand en niet herbouwd.
Verteld moet worden dat Frans de Kok ook prachtige fineerplaten maakte en die in etalageborden bij de ingang van zijn woning ten toon gesteld waren.
Vader den moeder de Kok (de Kok-van Kollenburg) zijn de ouders van architect Louis de Kok.
Zijn echtgenote, Tieneke van Heulen, heeft over Louis en zijn werk een boek geschreven: ‘Het leven en werken van Louis de Kok’ en heeft daarvoor de jaarprijs 2019 van de Heemkunde Oirschot in ontvangst mogen nemen.
Louis was ‘aanhanger van de Bossche school’ en zat in de provinciale boerderijencommissie met als taak het adviseren van verbouwingsplannen van oude boerderijen. Als architect was hij zeer betrokken bij de laatst plaats gehad hebbende werkzaamheden aan de Watermolen in Spoordonk (1970-1980)
Jan Erven (meubelfabrikant aan ‘Den Heuvel’) verhuurde na vertrek van de familie de Kok de woning aan winkelier Verweij (HAKA).
Later werd hier café- restaurant ‘De 3 Croonen’ gevestigd (Piet van Boxtel).
Nu we hier over Frans de Kok spreken moeten we zeker aandacht besteden aan de oprichting van een toneelvereniging.
In een ledenvergadering in 1953 werd door leden van de voetbalvereniging gesproken over de oprichting van een toneelvereniging. In de eerste uitvoering op halfvasten zondag werden opgevoerd ‘Hoe Peerke Kostermans toch nog in den hemel kwam’ en ‘Leentje uit het Hemelrijken’ twee blijspelen onder regie van Frans de Kok. Even tussendoor: toneeluitvoeringen waren in het Bondsgebouw na het lof, om 16.00 uur voor de dames en misdienaars en om 20.00 uur voor de mannen, zo was dat gebruikelijk in ‘het rijke roomsche leven’.
De geslaagde uitvoering was reden, dat in een zaaltje van hotel Princée op 23 maart 1954 een toneelvereniging werd opgericht in overleg met het bestuur van de voetbalvereniging. In de vergadering van augustus werd kapelaan Leenders als geestelijk adviseur (ook weer uit het rijke roomsche leven) benoemd, die tevens de regie ging verzorgen.
Op 8 september 1953 werd een plechtige ledenvergadering uitgeschreven waarin de naam ‘R.K. Gemengde toneelvereniging ‘Sancta Maria’ een feit werd.
Na diverse opvoeringen in zalen ging ‘Sancta Maria’ in het vijfde jaar na de oprichting in 1959 in het speciaal gebouwd Grieks theater, links voor de Kapittelkerk van St. Petrus Banden, over tot het spelen van het eerste openluchtspel ‘Alkestis’. Volgens een krant waren er 2300 bezoekers geweest in acht voorstellingen
Het tweede Griekse openluchtspel, ‘De Oresteia’, werd in 1960 opgevoerd in de binnenplaats van het Bondsgebouw (Parochiehuis).
Er hebben nog meer Griekse spelen op het programma gestaan, maar beschrijving hiervan hoort niet thuis in dit boek.
Verwezen wordt naar het zeer lezenswaardige boek van Hanneke van den Bogaart Vugts ‘Sancta Maria’ februari 2016)

045
045

Links het winkelpand van de familie van der Steen, ofwel de dames van der Steen (Mia en An). Hier is het al een A&O winkel. Voor de uitleg over dr Guljé verwijzen we naar plaatje 339.
Verder kan nog vermeld worden dat de kruidenierswinkel meer dan 100 jaar heeft bestaan. In begin 20e eeuw was in het achterhuis ook een schoenenfabriek/winkel gevestigd. Pand dateert al van voor 1650. In 1971 is pand verbouwd van kruidenierswinkel naar A&O Supermarkt. Pand beschikte over fraaie gewelfde kelder voor opslag bederfelijke etenswaren zoals boter, kaas en vleeswaren.

Aanvulling Sjef Smetsers.

De woningen stonden op een primitieve kaart. (plaatje 10) De kaart dateert van 1620 en in die tijd was Leonart Moyses de eigenaar van de woning van v.d. Steen.
Op de gemeentelijke monumentenlijst is deze woning vermeld als
Een woonhuis met witgeverfde halsgevel met rollaag afgedekt en met klein rondbogige topfronten, met luiken aan één van de vensters en twee stoeppalen (plaatje 47, tweede huis links)
In de loop der jaren zijn vele personen eigenaar van het pand geweest, maar ik begin in 1832, het jaar waarin de nieuwe kadastrale leggers in gebruik zijn genomen.
1832 Hendricus Lemmens
1834 Jan Lemmens
1871 Na het overlijden van Jan wordt zijn echtgenote eigenaresse.
Maria Catharina Deyck, die opnieuw huwde met Norbertus
Arnoldus Maria Lemmens
1872 Maria Catharina van Dijck
In het verleden was er alleen nog maar sprake van de vermelding huis, schuur en erf. In 1872 wordt voor de eerste maal vermeld dat er ook een pakhuis aanwezig was.
1880 wordt Hendrikus Wilhelmus van der Steen eigenaar.
Hij begint in het pand als schoenmaker en leerlooier.
Na zijn overlijden in 1923, wordt zijn echtgenote Anna Johanna Kerkhofs eigenaresse.
De schoenmakerij wordt niet meer gebruikt, maar de winkel wordt in gebruik genomen als kruidenierswinkel en in de opkamer werden (lakense) stoffen verkocht. Het pakhuis werd opslagruimte.
In het achterste gedeelte van het woonhuis heeft tot 1956 een ongehuwde broer van Hendricus, Wilhelmus van der Steen gewoond namelijk Wilhelmus (Willem) van der Steen.
1923 de kruidenierswinkel wordt overgenomen door twee ongehuwde dochters, namelijk Anna Maria Wilhelmina en Maria Antonetta
van der Steen, die na het overlijden van moeder in het pand zijn blijven wonen.

In 1971 komt het pand in handen van Harrie van der Steen, de zoon van Hein van der Steen en de neef van Anna en Mia van der Steen .
Het pand wordt grondig verbouwd en wordt in gebruik genomen als een zelfbedieningswinkel A & O.
Anna en Mia blijven op de bovenverdieping van het verbouwde pand wonen. Anna overlijdt aldaar en Mia is enkele jaren daarna verhuisd naar Huize St. Joris.

Tijdens de verbouwing in 1971 zijn in de bodem diverse vondsten gedaan, o.a. gebruiksvoorwerpen, waaronder drink- en eetservies en dierenresten. Zelfs een originele kanonskogel, van zo’n 10 kg.
Ook nog een Romaans bel klokje, waarvan in Nederland slechts enkele exemplaren bekend zijn.
De gevonden voorwerpen zijn aan de gemeente geschonken en worden tentoongesteld in de hal van het gemeentehuis.
Tot zover de beschrijving van het pand van ‘Van der Steen’.
(JSm en Simon v .d. Seen)

Woonhuis Guljé
(Voor beschrijving ‘persoon Guljé’ zie plaatje 339)
EDAH-GESCHIEDENIS in Oirschot plaatje 45
Naar dit plaatje wordt steeds verwezen als het over de EDAH GESCHIEDENIS in Oirschot gaat.
In 1910 werd bij notaris Bijvoets in Berghem een eerste gezamenlijk bedrijf opgericht. De naam EDAH kwam voort uit de familienamen van de oprichters Ebben, Dames, Aukes en Hettema. In 1917 volgde een nieuwe naamloze vennootschap waarin Dames al niet meer voorkwam en in 1917 verliet Ebben de inkoopcombinatie. In dat jaar werd een bestaand bedrijfspand aan de Zuid Willemsvaart in Helmond overgenomen.
Nu gaan we even terug naar plaatje 97, het pand waarin bakker Piet de Kort en zijn gezin woonde.
Volgens mededeling van de familie van Leuven is in dat pand (of het pand daarnaast!!), de eerste EDAH-winkel in Oirschot gevestigd geweest.
Waar Piet de Kort woonde, woonde in de twintigste eeuw eerder de Weduwe Phillippart met haar twee dochters, Rika en Tonny en hadden hier een Edah-winkel.
Cees van Leuven had samen met zijn broer Piet de meubelfabriek ‘Van Leuven van Hout’ aan den Heuvel. Nadat zijn zoon Pieter zijn studies verricht had en getrouwd was met Klaartje Broeders, ging hij met hen een meubelhandel ( LEBRO) opzetten en trok hij zich terug uit de zaak aan ‘Den Heuvel’.
Cees trouwde eind 1930 met Rika Phillippart en ging wonen in het pand van dr. Guljé’ (thans bekend als café ‘De Wildeman”, waar zijn vrouw Rika de Edahwinkel voortzette.
Zij werd terzijde gestaan door Piet Zeeuwen belast met de bedrijfsvoering en in de winkel en in huis waren de dames Diny Massee en Gonnie Bullens behulpzaam. Diny was een nichtje van Rika, omdat haar zus Tonny gehuwd was met de vader van Diny. Diny is later getrouwd met Sjef van Kollenburg, de oom van de ‘Kolly Brothers’ Sjef was postbode en als ik me niet vergis begonnen zij een slijterij in de Rijkesluisstraat (pand van Van Bree, later t.b.v. meubelfabriek Meeuwis afgebroken)
Eind veertiger jaren beëindigde Rika haar werkzaamheden en Piet Zeeuwen zette haar werkzaamheden voor EDAH voort in het pand dat door Cees van Leuven was aangekocht van Henrie van der Velden, (thans ’t Bint’)
Enkele jaren later is de EDAH verhuisd naar de leerlooierij van Termeer aan het standaardplein. Later is EDAH opgeheven en heeft zich in dat pand ‘Action non food’ gevestigd. (linker zijde plaatje 13-niet zichtbaar)

Nu terug naar het (woonhuis Guljé buren v.d. Steen)
Echtpaar Cees en Rika van Leuven-Philippart hadden drie kinderen: Pieter gehuwd met Claartje Broeders, Riet gehuwd met Hein van Breemaat en Jeanette gehuwd met W. van de Noort.
Jeanette begon in 1961/1962 in de vroegere Edah, een winkel in baby-kleding, later uitgebreid met verkoop van kinderwagens, wandelwagentjes etc. onder de naam ‘Baby Luxe’.
In 1990 is het pand (woon/winkel), na twee inbraken (alle kleding was gestolen) verkocht. (café ‘De Wildeman’ )
(mw. J v.d.Noor v. Leuven) – JSm)

052
052

Op deze foto is ook de Reijsende Man zichtbaar met een andere vensterverdeling als op oudere foto’s. De ruiter met de honden is onderdeel van een jachtpartij. Helemaal links zijn een aantal bussen te zien, waarover op plaatje 53 meer uitleg wordt gegeven.

Aanvulling Sjef Smetsers

Deze ondertiteling is niet juist. Moet zijn:
Meute jachthonden aan de markt/hoek St. Odulphusstraat
Deze foto zal naar alle waarschijnlijkheid op 3 november van een jaar genomen zijn. In Oirschot was elk jaar op de feestdag van Sint Hubertus een aparte H. Mis voor de jagers. Deze waren allen gekleed in ruiterkostuum, ook de klazoenblazers waren aanwezig. Ik heb deze H. Mis verschillende jaren mogen dienen. Na de viering kwamen de jagers aan de zijingang van de kerk (marktzijde) en werd het brood gezegend en uitgedeeld aan de jagers en omstanders.
De animator van deze jagers was veearts dokter Roelvink. Bij deze plechtigheden was er altijd een meute prachtige jachthonden aanwezig, die ‘s nachts hun ‘bivak’ hadden in de boerderij van Graard van Hersel. Deze boerderij is afgebroken en stond voorbij de bierbrouwerij van ‘De Kroons Bieren’. (gerekend vanaf de markt).
Voor Oirschot gold toen het gezegde:
Allerheiligen, Allerzielen, Sint Hubert, Orskots mèrt.
Dit klopte niet elk jaar want de marktdag was altijd op dinsdag en dus niet altijd op 1 november.
Ik was als misdienaar trots dat een plaat van deze zegening in het ‘geschiedenisboek van Brabant voor de 7e leergang’ van Fr.
Vic.Claassen stond. Ik sta naast kapelaan Raesens (en naast mij broertje Jan). Blz. 37.
(JSm)

De volgende omschrijving hoort ook bij plaatje 52 thuis.
Op de achtergrond is duidelijk ‘De Reijsende man’ zichtbaar, links het platte dak, (zie ook plaatje 54) daarnaast de smalle gevel en daarnaast de brede gevel. Dit gehele pand is in 1931 gekocht door het gezin E. Smetsers-Rijken, toen drie kinderen. De juiste datum van de akte en de prijs zijn niet bekend. Wel is bekend dat de ‘brede gevel’ in 1946 verkocht is aan het gezin Harrie v.d. Oetelaar voor de prijs van fl. 6.500,–.
Onderstaande toelichting gaat over het platte dak en de eerste , tweede en derde verdieping van de smalle gevel, het gedeelte dat vanaf 1931 verhuurd was.
De eerste verhuring aan mij (JSm) bekend was mejuffrouw de Kroon, die later verhuisd is en gewoond heeft achter het ‘Boterkerkje’.
Haar broer Antonius Johannes Maria was tot 1931 gemeentesecretaris van Oirschot. Of hij met samen met haar het pand bewoonde is mij niet bekend. Secretaris de Kroon werd opgevolgd door drs. M.A.M. van Helvoort, zoon van het hoofd der lagere school in het dorp Zeeland. Op 8 december 1945 werd bij benoemd tot burgemeester van Boxtel.
De volgende huurders heb ik gekend.
Willem en Marie van Kollenburg – Jansen.
Willem was meubelmaker en in 1934 kocht het echtpaar de winkel van Harrie van der Velden (zie plaatje 42). In dit pand hadden zij een slijterij en een winkel in kruidenierswaren.
Hun zoon Pieter is daar geboren. (Pieter van Kollenburg Stichting).
In het weekblad ‘Streekbelangen’ (veertiger jaren) voorloper van ‘Oirschots Weekblad’ schreef Willem regelmatig leuke stukjes over Oirschot onder het pseudoniem van Driekske van het Legent.
Sjors en Jo Willems – Teurlincx.
Ook Sjors was meubelmaker. Jo was een heel aardige vrolijke vrouw en kon goed tekenen. Als de zon scheen moesten wij tegen een muur of deur gaan staan en tekende zij de schaduw contouren na. Voilá, je tekening.
Zij verhuisde later naar de Rijkesluisstraat waar zij hun bekende café exploiteerden. Zij kregen twee kinderen: Sjors en Jeanette, die na overlijden van de ouders het café tot hun pensioen hebben voortgezet.
In een gesprek dat ik later met Sjors jr. had, wist hij niet dat zijn ouders aan de markt gewoond hadden.
Klein vrouwtje.
Hierna woonde er (voor onze begrippen) een klein lief vrouwtje, waarvan ik me herinner dat zij ’s-avonds bij ons in huis zat te breien.
Schoenmaker Schoones.
Hij was de volgende bewoner, was nog ongetrouwd en zijn beroep was
schoenmaker. Zijn werkzaamheden verrichtte hij voor het raam. Later is hij getrouwd en in Oirschot gaan wonen.
Gezin Jan Moors.
Zij waren de laatste huurders.

053
053

Op dit plaatje zijn een aantal bussen te zien. Deze waren van busonderneming ‘De Vitesse’. Eind 19e eeuw is er in Oirschot hard gelobbyd voor een tram van Oirschot naar Eindhoven over Best. Daar zijn zelfs nog aanlegtekeningen voor gemaakt. Daarna zijn er nog ideeën geweest om een tramlijn op te starten van Tilburg naar St Oedenrode over Oirschot. Ook het traject Breda-Tilburg-Oisterwijk-Oirschot is overwogen en later Breda Tilburg Moergestel Oirschot. Het liep helaas allemaal op niets uit en in 1923 werd een busverbinding opgestart, die later de Vitesse is gaan heten.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De ondertiteling Deken Frankenstraat is niet juist. De bussen stonden aan de markt met de achterzijde naar de Sint Odulphusstraat.
Naast de eerste bus rechts staat naast de koplamp kleine Sjef Smetsers met buurjongetje Frans van Haaren (De Beurs). (op grotere foto van de Oirschotse fotoclub is dit duidelijk te zien). Anderen zijn niet te herkennen op deze foto. Er was geen remise om de bussen in te plaatsen. Zij stonden altijd op de markt. Ik kan me ook geen ‘officiële staanplaats met tijdsbepaling’ herinneren.
(In boekje ’Oirschot’-groene kaft met afbeeldingen van stoelen, gemeentehuis en kapel H.Eik) met voorwoord van burgemeester Ch.W.E.G. Janssens, staat een advertentie vermeldende o.a.: Brabants Koffiehuis “De Beurs”, Bekend voor goede en toch goedkoope consumptie en… Station der autobussen “Vitesse” (men waarschuwt voor het vertrek der bussen).
JSm.

054
054

Dit schitterende tafereel uit omstreeks 1930 en heet officieel “Oirschot, Marktplein” maar is net niet op het marktplein genomen. Wel in de Odulphusstraat, aan de achterzijde van de kerk. Toen een straat, nu gedeeltelijk opgegaan in het plein. Rechts ziet u nog een stuk van wat nu Bakkerij de Reysende Man en de naastgelegen panden vormt. Het witte gebouw met de Hero en Droste reclame (die borden zijn nu gewilde verzamelobjecten) is de voorloper van de huidige Gasterij De Beurs. Dat café was toen ook kruidenierswinkel. En als u goed kijkt, ziet u een heus terras! Ook tachtig jaar geleden dronk men graag een glaasje in de Oirschotse buitenlucht. Naast De Beurs ziet u een pand met een Franse kap en het woord ‘kapper’: daar was de zaak van Kapper de Beer.

Links boven de dames met de kokette hoedjes, die op reis gaan of zijn geweest, is nog net een stukje zichtbaar van een ‘krul’, een metalen openbaar urinoir. De man die we op zijn rug zien terwijl hij langs de bus loopt, is Jan van de Loo (bijgenaamd Jan van Dam), slager in de Nieuwstraat. De linker van de twee heren die aan komen lopen is kolenboer Narris van Beers. De keurige heer met hoed die half voor De Beurs staat, is schoenmaker Frans de Croon.

De autobussen zijn waarschijnlijk van de Oirschotse firma Vitesse. Merk en bouwjaar van de bussen is ons onbekend.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De werkplaats is op dit plaatje niet te zien, maar was aan café De Beurs vast gebouwd. Na verhuizing van de ‘Vitesse’ naar de Spoordonkseweg is de werkplaats weer toegevoegd aan ‘De Beurs’ en veranderd in feest/vergaderzaal en (toen) repetitielokaal voor de harmonie ‘Arti et Amicitiae’.
Bij het schrijven van mijn boek ‘De ziel van een gemeenschap’ over de fanfare en drumband van Vessem (2014) kwam ik erachter, dat tijdens een bruiloft in Vessem (1915) het gouden paar gezeten was in een koets met als koetsier Sjef van Haaren. Bij navraag bleek dat de broer te zijn van ‘de Van Haarens’ Charles (slager bij het kantongerecht) Janus (caféhouder (de Beurs) en Sjef (?) wonende op Den Heuvel.
Na onderzoek bleek, dat de ‘werkplaats van de Vitesse’ bij de Beurs, eerst dienst deed als stalling van koetsen voor verhuur, incl. koetsier.
Nadat ‘de Vitesse’ hun bedrijf aan de Spoordonkseweg elders hadden gevestigd zijn de Gebroeders Vullings met hun bedrijf daarheen verhuisd. Zij verplaatsten hun bedrijf van de Rijkesluisstraat (thans Lidl) naar de Spoordonkseweg.

062
062

Na de grote brand in de Sint-Petruskerk ten gevolge van geallieerd artillerievuur op 2 okt 1944, bleef er van de kerk een puinhoop over. Het bovenste deel van de toren was weg en de kerk was volledig instort en verwoest.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Vanaf hier de geschiedenis van de Sint Petrusbasiliek
(Voor deze tekst is ook gebruik gemaakt van de tekst van plaatje 10)
Oirschot had al vele eeuwen geschiedenis toen begonnen werd met de kerk.
We moeten ons verplaatsen naar het midden van de dertiende eeuw, zo rond 1250. In die tijd was het centrum van Oirschot het Vrijthof, met de Mariakerk
(het boterkerkje – nr 1 in figuur 1) als middelpunt. De Sint Petruskerk, de Zwaan en aanpalende gebouwen bestonden nog niet. De toenmalige markt was geheel volgebouwd met huizen, waarvan de huizen aan de zuidkant ‘clingelhuizen’ werden genoemd. (zie figuur 1)

Zo rond het jaar 1268 wordt de eerste Sint Petruskerk gebouwd en als kapittelkerk in gebruik genomen (nr. 3 op figuur 2).
Daar er voor deze tweede kerk op het Vrijthof geen plaats was werd zij achter de ‘clingelhuizen’ gebouwd. (zie figuur 2)
Deze kerk is in 1462 afgebrand. De herbouw vond plaats in twee fases. (1463 – 1503 en 1503 – 1512)
Deze, in gotische stijl gebouwde kerk, werd groter dan de eerste (zie nr. 4 figuur 3) zoals in die tijd gebruikelijk was. De kerk toornde boven alle huizen uit. De spitse toren werd in 1627 door blikseminslag verwoest. Sindsdien heeft de kerk een stompe toren. Figuur 3: situatie 1463 – 1566

Het gemeentehuis (nr 5 figuur 3) werd in 1513 gebouwd als gemeentehuis annex markthal. In 1566 veranderde de situatie grondig door een grote brand, die vermoedelijk in de Koestraat is ontstaan. Alle negen ‘clingelhuizen’, tot waar nu de ReijsendeMan staat, gingen verloren. Gelukkig was de windrichting gunstig zodat de Kerk gespaard bleef. Het Oirschotse bestuur realiseerde zich het brandgevaar voor de kerk als de ‘clingelhuizen’ herbouwd zouden worden. Dit was dan ook de reden dat de regenten zich richtten tot koning Philips II, tevens hertog van Brabant, om hen octrooi te verlenen om de herbouw van de huizen te verbieden en de gronden te onteigenen. Dit octrooi werd op 30 juni 1566 verleend en sprak over 28 woningen, waaronder de negen ‘clingelhuizen’.

In 1623 brak er weer brand uit en het overgrote deel van de huizen in de kom, waaronder de 5 woningen aan de westzijde, brandde af. (zie figuur 4).
Het dorpsbestuur kocht de 5 afgebrande huizen aan, waardoor kerk en gemeentehuis meer vrij kwamen te liggen. Het octrooi werd achteraf door de raad van Brabant op 3 september 1625 verleend.
Nu de markt vergroot was, kregen de eigenaren verlof om de afgebrande panden te herbouwen op het Vrijthof, waar van die tijd af de Zwaan
en aanpalende panden staan. (zie figuur 5)

066
066

De in oktober 1944 door oorlogsbrand zwaar vernielde Sint-Petruskerk in Oirschot werd gedurende een kleine 13 jaren weer volledig in de oude glorie hersteld. De toren werd als laatste pas in 1960 op hoogte gebracht en gerestaureerd. De Firma Breemaat uit Oirschot verrichtte de werkzaamheden. Hier een foto van het plaatsen van het kruis en de haan op de nieuwe spits in september 1962.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Dit kruis is in 1948 gemaakt door de gebroeders Piet en Hein Latour, is 4,8 meter hoog en weegt 185 kilo. Het is door Petit & Fritsen geconserveerd en met 23 ¾ karaat torenbladgoud verguld, als ook de 0.5 meter hoge torenhaan (1948) en de koperen bol, 45 cm. doorsnee (1962) beide van koperslager Jan van Leuven. Overeenkomstig de Oirschotse traditie wordt de naam van de pastoor in de staart van de haan geslagen en zo werd de naam van deken Leendert Spijkers bijgeschreven naast de naam van deken Renders.
De personen die op het plaatje voorkopen zijn (v.l.n.r.) deken Renders, opperman Piet van Beers, Antoon van Breemaat, Hein van Breemaat en uitvoerder Theo Benda. Deze werkzaamheden werden uitgevoerd op 21 augustus 1962 en op foto vastgelegd door Noud Aartsen.
De vergulde haan is op 14 september 2009 geplaatst.
(Monument in het blauw blz 81,rechts onderaan)
Het boek ‘Monument in het blauw’, tekst ‘Tiggelen Communicatie’ met prachtige foto’s van James van Leuven, gaat uit van twee ‘bouwfases’: Restauratie 1945-1952 (exclusief toren) en restauratie 2009-2012 (inclusief toren)

067
067

In 2013 heeft de kerk de status basiliek gekregen hierbij hoort het conopeum (ereteken basiliek)
Een conopeum is een half dichtgeslagen paraplu of zonnescherm dat in processies wordt meegedragen. Het bestaat uit rode en gele stroken van zijde: de oude pauselijke kleuren. De nieuwe pauselijke kleuren zijn geel en wit.

Het Oirschotse conopeum bevat de volgende acht afbeeldingen:
Wapens van paus Benedictus XVI (onder) en paus Franciscus (bov en)
Wapen van bisschop Hurkmans van ’s-Hertogenbosch.
Wapen van de gemeente Oirschot
Sint-Petrusbasiliek Oirschot
Heilige Bernadette bij de kapel van de Heilige Eik.
Koningswisseling in 2013
Sint-Willibrordus en Sint-Andrea Sint-Odulphus en Sint-Antonius.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Basiliek interieur

Op 23 juni 2013 vond de Eucharistieviering plaats bij de verheffing van de St. Petruskerk Oirschot tot basilica minor (basiliek).
Een ‘Basilica minor’ of ‘basiliek’ is een eretitel, die door de paus wordt gegeven aan een grote of bijzondere rooms katholieke kerk. De reden waarom deze kerk als bijzonder wordt gezien is vanwege het feit dat
1 Deze kerk zeer oud is (laat Middeleeuws
2 Maria van de Heilige Eik hier vereerd wordt
3 Dat er een levende gemeenschap van gelovigen is.
Er zijn wel plichten en privileges aan verbonden.
De Petruskerk in Oirschot is de zesde basiliek in het bisdom en de 25ste van Nederland. Het conopeum is een half dichtgeslagen paraplu of zonnescherm dat in processies achter het tintinnabulum*) wordt meegedragen.
Het tintinnabulum is een processiestaf, die vervaardigd is door de Oirschotse smid Sjef Vingerhoeds en het conopeum is vervaardigd door de firma Slabbink in Brugge. Het bestaat uit rode en gele stroken van zijde: de oude pauselijke kleuren. De nieuwe pauselijke kleuren zijn geel en wit.
Het conopeum en het tintinnabulum staan aan weerszijden van het hoogaltaar en vormen samen twee eretekenen van een basiliek.
De volledige omschrijving van de eretekenen zijn te vinden in het boekje dat gebruikt is tijdens de Eucharistieviering op 23 juni 2013.
Bvvenstaande tekst komt uit ‘Eindhoven Plus’ van 2 april 2013/ JSm

072
072

De Kanunnikenbanken in de Oirschotse St. Pieterkerk. Deze beroemde banken zijn verwoest in de brand in 1944 tijdens de gevechten tussen de geallieerde troepen en de Duitsers.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Wilt u meer uitvoerig op de hoogte zijn van de koorbanken Kanunnikenbanken) dan verwijs ik u naar het boek ‘DE KOORBANKEN VAN OIRSCHOT’, fotografisch gezien door Martien Coppens met tekst van P. Concordius van Goirle, O.F.M. CAP. Poirtersfonds-serie – Eindhoven MCMXLI)
Eigen gegevens:
1)
Op de foto ziet u naast de banken op de pilaar rechts een vastgebonden touw. Dit was het touw waarmee men het Angelusklokje in werking kon stellen. Ik was ongeveer 10 jaar en Piet Stans ( 11 september 1867- 27 juni 1940), de laatste celibataire koster, vroeg of ik af en toe het ‘Angelus’ wilde luiden. Ik woonde toch vlak bij de kerk. Ik vond dit wel leuk en Piet gaf uitleg (zie foto 135 voor gegevens over Piet):
Piet: “Het touw van de haak nemen, voor de banken gaan staan en voorzichtig aan het touw trekken”. Het moest wel regelmatig klinken uit de Angelusklok en daarvoor kon ik gebruik maken van (gedeelten van) ‘Den Engel des Heren’. (bidden steeds binnensmonds) “De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt en zij heeft ontvangen van de Heilige Geest”, aan het touw trekken en een Weesgegroetje bidden (stop) , “Zie de dienstmaagd des Heren, Mij geschiede naar uw woord”, aan het touw trekken, Weesgegroetje bidden (stop) ”En het woord is vleesgeworden en het heeft onder ons gewoond”, aan het touw trekken Weesgegroetje bidden en nu doortrekken terwijl je het lotgebed van het Angelus bidt. Touw ophangen. Klaar.
2)
De koorbanken waren gereserveerd, links vooraan voor de kerkmeesters (kerkbestuur) en rechts vooraan voor de misdienaars en priesterstudenten. De eerste gedeelten, rechts en links waren nooit helemaal bezet.
Achteraan zat soms de pastoor of een der kapelaans voor het breviergebed.
3)
Onder de oorlogsjaren was er een fotograaf uit het westen van het land in Oirschot die foto’s van de koorbanken wilde maken. Hiervoor kwam hij op het gemeentehuis en sprak de gemeenteontvanger aan, Janus van Leuven. Hij is met hem naar de kerk geweest en de man heeft een tiental foto’s gemaakt. Janus kreeg later een kaart toegestuurd waarop de foto’s (kleinbeeld) mooi waren gegroepeerd. Op elke foto had hij zijn paraaf gezet.
De koorbanken brandden af en wij, kantoorgenoten van Janus wilden de foto’s wel hebben. Janus heeft alles afgezocht en jawel hoor. Bij navraag vond hij de fotograaf en na verloop van tijd kreeg hij een tiental enveloppen waarin de foto’s zaten, die de fotograaf gemaakt had. Een prachtige aanwinst. Wie ze gehad hebben weet ik niet, maar ik kreeg in ieder geval een enveloppe met foto’s.
Tegenwoordig (2020) zijn deze foto’s, zoals alle andere koorbankenfoto’s te koop.
JSm

074
074

Na de grote brand in de Sint-Petruskerk ten gevolge van geallieerd artillerievuur op 2 okt 1944, bleef er van de kerk een puinhoop over. Het bovenste deel van de toren was weg en de kerk was volledig instort en verwoest.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Het gehele middenschip van de kerk was uitgebrand, vanaf de toren tot en met het priesterkoor (kanunnikenbanken), behalve ‘de armen’ waar het Maria-altaar en St. Odulphus-altaar stonden, dus het stuk vanaf de markt tot aan het bondsgebouw (thans gemeentehuis).
Wel waren met de brand verloren gegaan: de communiebanken en de twee altaren staande tegen de beginpilaren van het priesterkoor. St. Josephaltaar aan de linkerzijde en aan de rechterzijde het altaar waar doorgaans de H.Mis (door de week)werd opgedragen. De naam is me niet meer bekend. (Mogelijk in de archieven nog te achterhalen.

Veel geëvacueerden uit het dorp waren komen kijken naar het tenietgaan van onze prachtige dom. Ons gezin (JSm) had zich onttrokken aan de verplichting om te gaan evacueren, omdat onze woning (dachten wij) veilig genoeg was. Bij de beschieting van de toren gingen wij naar de kelder, (groot genoeg voor 11 personen en eventuele bezoekers) en waar wij ook de nacht doorbrachten.
Verschillende personen, waaronder ook deken/pastoor de Vries en enkele montfortanen en ook Jan Schoenmakers uit de Nieuwstraat.
Wij, Jan en ik gingen naar de ingang van de kerk aan marktzijde, om te ‘nieuwsgierigen’ Wij zagen dat op de communiebanken de koperen beelden nog stonden en wij er naar toe om deze daar weg te halen. Wij werden door brandweerlieden wel teruggeroepen, maar toen zij zagen dat het goed ging hebben zij met ons de beelden meegenomen en in veiligheid gebracht.
Deze beelden sieren thans het altaar aan het begin van het priesterkoor.
Het zal goed middag geweest zijn dat Jan naar huis wilde gaan en vroeg of ik een eind mee wilde lopen. Akkoord. Bij het bondsgebouw aangekomen werd er weer op de toren geschoten. Ik ging niet verder mee en ging naar huis. Jan wilde ook naar huis lopen (Nieuwstraat) via de Kerkstraat, maar aan het eind hiervan t.o. bakkerij van den Einde, werd hij dodelijk getroffen. Achteraf heb ik gehoord dat een zekere mijnheer van Beers (Welke? Leeuwerikstraat /Spoordonkseweg ??) bij Schoenmakers het droevige nieuws is gaan vertellen. (JSm)
Het Maria-altaar en het St. Odulpus-altaar waren gered maar het stenen gewelf ook. Na verloop van de werkzaamheden aan de kerk werd de gehele vleugel van de markt tot aan het bondsgebouw vol gezet met een houten steiger. Denkelijk om werkzaamheden aan de zoldering te verrichten.
De steiger was klaar en op zekere nacht een geweldig kabaal. Het plafond was naar beneden gekomen en de steiger lag als gebroken luciferhoutjes onder het plafond. Wat een geluk dat geen personen daar aan het werken waren.

078
078

Rijkesluisstraat
Aanvulling Sjef Smetsers:

Plaatjes 78 t/m 83 samengevoegd voor de volgende samenvatting. (Uit: (uit: Campinia, drie maandelijks blad van het streekarchivariaat noord Kempenland, april 1971 en uit het Weekjournaal Oirschot 1 augustus 1995 – met dank aan Jan Suijkerbuijk en Drs. Leijten – Rijke historie)
De zwaan dateert van 1623.
In de vorige eeuw heette hotel de Zwaan ‘De Doelen’. De geschiedenis gaat terug tot de 15e eeuw. Bij de brand van 1463 ging het gehele archief verloren, maar in 1483 wordt al gesproken van herberg ‘De Swaen’.
Aan de zuidzijde van de markt stonden vroeger huizen waarachter de kerk gebouwd was.
In 1566 brandde de bebouwing aan de zuidzijde van de kerk af.(zie: plaatje 10, figuur 3 en 4) Bij octrooi (officiële vergunning) van de Hertog was vastgelegd dat de huizen niet op deze plaats hoefden te worden herbouwd, zodat er nu een markt ontstond Na de grote brand in 1623 brandde ook ‘De Swaen’ af.
Mr. Johan vanden Kerkhoff was een van de eerste eigenaars van ‘Huijs ende Hoff’en in 1715 werd zijn dochter Elisabeth eigenares van ‘Huijs metten Hof aenden schuer’
In 1752 duikt de nieuwe naam op, als Jan Baptist van Audenhoven en mr. Gijsbertus de Louwerse het pand in laten schrijven als ‘Huijs De Swaen metten Hof aende Schuur’. In 1754 wordt naast Jan Baptist van Audenhoven ook Adrianus de Louwerse eigenaar.
In 1755 verschijnt de naam Johan Somers en wordt de naam: ‘Huijs De Swaan met den hof aan de schuur’.
In 1788 volgt de weduwe van Johan Somers, Anna Petronella Spruijt, geboren in Leuven, hem op.
Vanaf nu de eigenaars resp. bewoners aan de hand van de kadastrale leggers.
Omstreeks 1820 wordt de dochter van Johan Somers, (Maria Anna, ongehuwd, overleden 1844) eigenares van ‘Huis en Erf en brouwerij en wordt in 1832 opgevolgd door Hendrikus Carel Somers tot in 1870 als logementhouder en bierbrouwer Antonij Somers (20 april 1834 – 4 februari 1916) het ‘Huis en erf en brouwerij’ gaat beheren.
Toon was van 1868 tot 1916 dirigent van Arti et Amicitiae.
In 1917 wordt door koopman Johannes Hendrikus Kuijpers, als eigenaar de ‘NV Hotel Pension Kuijpers opgericht.
Koffiehuishouder Johannes Nicolaas Theodorus Diesveldt koopt in 1936 ‘Hotel-Pension de Zwaan’ a) ‘Huis en erf’, b) Brouwerij.
Pachters:
Petrus Theodorus van Esch (geboren 5 december 1856 te Amsterdam) gekomen in Oirschot in 1910 en in 1926 vertrokken naar Best
Matheus Jacobus Gordijn (geboren 25 augustus 1902 te Rotterdam en op 28 november 1935 vertrokken naar Hilgersberg)
Het gezin had een zoon: Corrie en ik heb hen na de oorlog nog eens opgezocht. Hij zat toen in een rolstoel, zonder benen, zeer triest).
In hetzelfde jaar verkoopt Diesveldt zijn bedrijf door aan Henricus van Overbeek Sr. en jr.
In 1963 is de garage (44 m2) overgedragen aan Johannes Franciscus van de Broek (Schoonzoon/zwager), die daar een frituurbedrijf begon, dat nu in 2021, zij het onder een andere naam nog bestaat
In 1968 werd Bierbrouwerij DE KROON eigenaar.

079
079

Een bijzondere foto, want de lucht links van de boom, boven de daken, is blauw ingekleurd. De foto is bijzonder scherp en dateert van rond 1930. De automobiel rechts is waarschijnlijk van Amerikaans fabricaat, een tweedeurs sedan. Het zou een Chevrolet uit 1926 kunnen zijn, maar evengoed een Essex: auto’s van de jaren ’20 lijken enorm op elkaar, net als tegenwoordig.

Opvallende verschillen met de huidige Zwaan: de gesloten veranda die nu links is aangebouwd, was toen rechts gesitueerd. Vóór de overkapping staat een benzinepomp: de Zwaan had de status van ANWB goedgekeurde garage, blijkens de borden die tegen de gevel hangen.
Links van de Zwaan, waar nu Friethal ‘De Put’ is gevestigd, is de ingang naar ‘Bierbottelarij De Zwaan’. Het herinnert aan het feit dat veel horecabedrijven in Oirschot hun oorsprong vinden in kleine brouwerijen. Vóór de boom staat, lastig zichtbaar in deze foto maar zeer herkenbaar op andere, een paal met daarop het (houten?) beeld van een zwaan. Zelfs als men niet kon schrijven, wist men waar men was.
De foto toont dat het vijfentachtig jaar geleden ook al goed toeven was op een Oirschots terras.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Plaatjes nr. 79 t/m 83 samengevat behalve plaatje 82
We moeten weer te rade gaan bij Campinia (Drie maandelijks blad van het streekarchivariaaat Noord Kempenland 1e jaargang april 1971-blz. 94)
Hier lezen we: Tot p.m. 1940 (moet zijn 1916 !) was er een brouwerij aan verbonden. De Zwaan brandde in 1623 af, die de hele markt teisterde (zie plaatje 10, de figuren 3 en 5)
(Bij Wikipedia –Brouwerij De Kroon Oirschot).
We gaan terug naar Campinia. Pag. 94/96.
Op deze lijst staan de eigenaren en uitbaters. De voornaamste eigenaars en familie , die de bewoners aanspraken, waren wel Johan Somers (1756) en Antonie Somers (1870).
In de dertiger jaren was Jan J. L Gordijn de uitbater. Het was een aardige man en goed voor zijn personeel. Hij was gehuwd met mevr. Konings en zij hadden een zoon Cornelis F J.(geboren te R’dam op 1 juli 1923) Op 28 november 1935 is het gezin vertrokken naar Hillegersberg (Rotterdam).
Als het druk was op het terras moest de ober een polshorloge aandoen, de heer Gordijn kwam ‘in vol ornaat’ bij het gezelschap en gaf dan de ober een uitbrander van: “Je weet toch dat het een ober niet past de polshorloge te dragen,” en ging dan weg. De gasten hadden met hem te doen. Resultaat: flinke fooi. En de heer Gordijn ging met de ober naar volgende gasten.
In 1936 kocht Henricus van Overbeek Sr. de Zwaan die het bedrijf later overdroeg aan zijn zoon Adrianus (“Broer”)
Henricus verkocht de garageruimte (links op het plaatje) in 1963 aan Johannes Franciscus van den Broek, die getrouwd was met zijn dochter Annie. Zij hebben die ruimte met een achterliggend deel verbouwd tot een frituurinrichting. Beiden zijn inmiddels overleden en is deze inrichting (verschillende keren) verkocht. De ‘afhaalfrituur’ is niet meer uit het straatbeeld weg te denken.
Naar toelichting plaatje 21
Henricus (Harrie) van Overbeek verbouwde een gedeelte van huize Groenberg tot bioscoop en toen hij vanaf 1936 ‘De Zwaan’ ging exploiteren werd de bioscoop van de Molenstraat verplaatst naar de Markt.
Tegenwoordig is achter in de lange gang een openhaard met vergaderzaaltje en bar. Rechts een trapje met twee/drie treden.
Achter in de gang kwam links de bioscoopzaal en rechts (het trappetje op) het balkon.
Maar waar was nu toch de brouwerij gebleven? Even doorzoeken en infomeren bij Gerard de Kroon jr. van ‘Brouwerij de Kroon’.
Op 18 januari 1916 kocht Gerardus de Kroon sr. van Antonie Somers, brouwerij ‘De Zwaan’. Somers beloofde ten behoeve van Gerard de Kroon sr. per 1 maart 1916 zijn brouwerij stop te zetten en zijn ‘bierafnemers’ aan de Kroon af te staan. Daartegenover stond voor Gerard de Kroon sr. de verplichting, dat hij vijf jaar lang f fl. 12,50 per maand zou betalen. Dit bedrag was betaalbaar met fl. 75,– per half jaar.
De betaling zou vervallen als de heer Somers binnen vijf jaar zou komen te overlijden en zich een andere brouwer in Oirschot zou vestigen.
Antonie stierf in februari 1916, zodat Gerard de Kroon sr. een voordelige overname had gedaan.
Inmiddels is Bierbrouwerij de Kroon eigenaar van ‘Restaurant-café de Zwaan.
Inmiddels heeft ‘De Zwaan’ verschillende uitbaters gehad.
Tijdens de brand van 25 juli 1995, brandde De Zwaan grotendeels af. Gelukkig waren er geen persoonlijke ongelukken.
Uitbaters waren toen het gezin Carel en Yvonne Heijne.
Na de toespraken van de heren Heine en de oud president van Philips de heer Timmer heropende op dierendag 1996 laatstgenoemde ‘De Zwaan’ door een laken weg te nemen waardoor een sierlijke zwaan zichtbaar werd ten teken dat het restaurant weer herrezen was.
De naam die inmiddels veranderd was in Auberge de Zwaan kreeg in 1918 weer een nieuwe naam en werd ‘De Zwaan 1623’. De nieuwe uitbater de Boxtelse ondernemer John van de Langenberg had deze naam gekozen uit de vele reacties die hij vanuit Oirschot kreeg. ‘De Zwaan’ 1623’ herinnerde aan de grote brand in 1623.
Op woensdag 20 juni 1918 heropende de nieuwe uitbater de zaak.
Van den Langenberg heeft in Boxtel en Schijndel ook restaurants en is woonachtig in Schijndel in het unieke pand de glazen boerderij restaurant ‘Le Verre’.
John van de Langenberg geeft na drie jaar het stokje over.
De gebroeders Wilco en Corné van Delft uit Elshout gaan als uitbaters met de zwaan verder onder de naam: ‘SNTZ de Zwaan’ (Schnizelrestaurant)

091
091

De boerderij van van Overbeek dateert uit 1717. De panden links zijn op den duur vervangen door de panden van Meeuwis.

Aanvulling Sjef Smetsers:

De vader van de huidige (2020) bewoners, Hendrik van Overbeek, woonde eerder met zijn ouders aan de Bestseweg nr. 16. Tot dit gezin behoorde ook de latere directeur van het doveninstituut in St. Michielsgestel (zie verder in dit verhaal). Opa van Overbeek kwam met bovengenoemde Hendrik, tante Marie en ome Dorus naar het onderhavige pand en werd de ouderlijke boerderij aan de Bestseweg nr. 16 afgebroken. Op de vrijgekomen bouwplaats heeft Ad v.d. Schoot gebouwd (ook nr. 16). Hij was getrouwd met een nicht van de bewoners van de boerderij die inmiddels( 2020) is overleden.
Hendrik was landbouwer en had aan huis een eierenverzamelplaats waar kippenhouders hun eieren konden inleveren, die dan na gesorteerd te zijn, werden afgevoerd naar de eiermijn in Roermond. Ook particulieren konden eieren kopen, zoals o.a. een kaasboer uit St. Michielsgestel, doorverkoop adres.
Ik (JSm) kan me nog herinneren dat een ei 5 cent kostte en een gebutst ei 2 ½ cent (halve stuiver – dit muntstuk werd ‘lap’ genoemd) kostte.
Daar Mgr. Drs. J.C. van Overbeek in het JUMBO boek niet voorkomt ben ik van mening dat hij toch ook tot de ’markante Oirschottenaren behoort’.
Mgr. Van Overbeek was de broer van de hierboven genoemde Hendrik. Hij werd op 4 mei 1901 in Oirschot geboren. Op 29 mei 1926 werd hij priester gewijd en benoemd tot kapelaan in Dreumel. Hier bleef hij 3 jaar en werd toen benoemd tot leraar van het klein seminarie in St. Michielsgestel. Op 29 juli 1934 volgde zijn benoeming tot leraar aan het instituut voor doven en van 2 oktober 1940 tot 2 december 1966 was hij hiervan directeur. Hij overleed op 20 november 1966.
Het was een goed mens, lezen we op het gedachtenisplaatje.
Voor het dove kind was nooit iets te goed, niets te veel. Hij zocht telkens na nieuwe wegen om hun gebrekkigheid op te heffen en het leven voor hen door inzet van bekwaamheid, toewijding en liefde gelukkig te maken.
Behalve directeur van het doveninstituut was hij nationaal secretaris-penningmeester van het Genootschap tot voortplanting van het geloof, diocesaan directeur voor ’s-Hertogenbosch van het Pauselijk Liefdewerk van de H. Apostel Petrus en penningmeester van het Bossche diocesane missiecomité. Ook was hij geestelijk adviseur van de Bond ter bevordering van het Katholiek Buitengewoon Onderwijs. (JSm (met aanvulling familie)
(zie ook plaatje 92)

092
092

Deze foto toont de Rijkesluisstraat in 1944. Het was oorlog, maar de bevrijding was nog ver weg. De kerk en de toren waren nog onbeschadigd. Op het beroemde maar korte filmfragment van de intocht van de Schotse bevrijders zien we vanuit ongeveer dezelfde positie eveneens café de Woudgalm en het beroemde reclamebord voor de verzekeringsmaatschappij, maar dat staan in de verte een gehalveerde toren en een uitgebrande kerk (zie Youtube).

Aanvulling Sjef Smetsers:

Bij de bespreking van plaatje 92 betrekken we de plaatjes nrs. 89, 90 en 91
Laten we voor de duidelijkheid maar bij dit pand beginnen en dan de richting van de markt gaan. In het café woonde frans Smetsers met zijn gezin (zie plaatje 16)
In hetzelfde pand (de Woudgalm dus) woonde ook het gezin Verstegen. (2 zoons)
Dan stond er het pand van zadelmaker Cees van Cuijck. De huizen verder naar de markt toe, tot aan het Stenenstraatje (Klokkenhuis van Kollenburg), zijn afgebroken ten dienste van het meubelberdrijf, ook de speelgoedwinkel van J.C.C. van Bree en de woning van Harrie Meeuwis, de stamvader van ’Meeuwis karaktermeubelen’. (Boven aan deze woning was een stoel bevestigd), maar niet zichtbaar op plaatje 91.
De familie P. Meeuwis-Penson woonde vôór de afbraak van de woningen, verder de Rijkensluisstraat in naast Bakker Bert van der Loo, ook wel van Dam genoemd, ongeveer tegenover G. Vervoort (plaatje 93)
In 1931/1932 zijn de woningen vanaf hoek Rijkensluisstraat/Stenenstraatje gesloopt en vervangen door een winkel/woonhuis en een woonhuis. Architect was Jan Beks wonende aan de Molenstraat.
In de zijgevel is een gedenksteen ingemetseld door de oudste dochter Ria en Annelies Verschuren.
Hier woonde Piet Meeuwis met zijn gezin. Zijn vrouw ging hier verder met haar hoedjeswinkel. Het ernaast gelegen woonhuis werd verhuurd. Hier woonden achtereenvolgens het gezin Kalfuss dat later verhuisde naar een woning van P. v.d. Wal aan de Koestraat.
Nadat het gezin Kalfuss was verhuisd kwam er Van Mierlo wonen, de nieuwe kapper en daarna huurde dochter Jet , in 1956 gehuwd met Cor Linders, de bovenverdieping. Beneden was de woning het begin van een toonkamer.
In 1955/1956 werd het pand van voorheen J.C.C. van Bree (speelgoedwinkel),(naast zadelmakerij van Cuijck) \aangekocht en gesloopt. Ook werd de oude woning van Harrie Meeuwis (stichter van het bedrijf) en de oude fabriek van 1920 gesloopt.
Er werd toen door Meeuwis Karaktermeubelen een compleet nieuwe fabriek gebouwd. Architect was Peter Beks, de zoon van Jan Beks.
In 1968 werd op het industrieterrein ‘De Stad’, nu onder de naam Karmo (Karaktermeubelen Oirschot) een nieuwe fabriek gebouwd met een 3x zo grote productiecapaciteit.
De bedrijfspanden aan de Rijkesluisstraat werden verbouwd tot toonkamers, onder de naam ‘Meeuwis meubelen’ onder leiding van Frits Meeuwis.
(JSm.Pieter Meeuwis)

099
099

De Rijkesluisstraat te Oirschot omstreeks 1900, met rechts de smederij van Vennix.
Zie plaatje 97

Aanvulling Sjef Smetsers:

Hier had Cees Vennix (zonder n) zijn smederij.
De smederij staat niet op het plaatje, maar stond aan de rechterkant aansluitend aan de bebouwing, tegenover het herenhuis van Nuijens, waarin de directeur van de meubelfabriek ‘Teurlincx Meijers’ woonde. In het midden van de gevel zien we het ‘Koninklijk predicaat schild’. Dat schild kon, en kan nog, aan bedrijven worden toegekend bij gelegenheid van een 100, 125 en volgend vijf en twintig jarig jubileum.
Op de plaats van de smederij van Cees Vennix heeft Sjef Huiskens later een woning gebouwd. Tegenwoordige (2018) bewoner is Jan Schreppers.
Cees is geboren op 5 augustus 1901 in Oirschot en was smid bij zijn vader die in 1929 overleed.
Cees was de zwager van Thomas van Kessel (molenaar in Straten) en van Cees van Cuijk (zadelmaker in de Rijkesluisstraat), die allebei getrouwd waren met een zus van Cees de smid.
Cees was een echt gemeenschapsmens, was bij het zangkoor en lid van de ruitersportvereniging en had veel vrienden in Oirschot, die niet konden begrijpen dat hij aan een geheel nieuw leven begon.
Hij verkocht zijn woning en bedrijf en trad in bij de paters Montfortanen, waar hij op 2 juli 1935 geprofest werd in Meerssen en verder als broeder Clemens door het leven ging en naar de missie in Zaïre (Congo) vertrok.
De beginjaren werden doorgebracht met de opbouw van de missiepost Isangi Na de stichting van Bondaba was hij twee jaar op die missiepost werkzaam. (1938-1940). Daarna vertrok hij naar Elisabetha om een grote nieuwe kerk te bouwen en zou verder in die plaats werkzaam blijven (1940-1964).
Het laatste bezoek aan Oirschot was in 1959.
Hoewel het in dat jaar al onrustig was, koos broeder Clemens er toch voor om terug te gaan naar zijn missiegebied.
De Congolezen raakten in de ban van de onafhankelijkheid. Koning Boudewijn had op 13 januari 1959 de onafhankelijkheid in het vooruitzicht gesteld, maar er werd geen directe datum genoemd. Congo zou op 30 juni 1960 onafhankelijk worden.
De onafhankelijkheid werd groots gevierd maar na enkele dagen stortte de vertrouwde wereld in. Muitende soldaten plunderden winkels en veranderde de hoofdstad Leopoldstad in een chaos. De wanorde in Leopoldstad had nog geen directe gevolgen voor de verder afgelegen missiegebieden.
In de nacht van 29 op 30 oktober 1960 kwam de commandant bij de missiepost in Elisabetha het bevel overbrengen dat de zusters en missionarissen, waaronder broeder Clemens, naar Bosoko te worden overgebracht.
Het werd een verschrikking. Door rebellen werden zij onder arrest gesteld. Van menselijke behandeling was geen sprake. Zij werden geslagen met geweerkolven en stokken. Zij werden met 42 personen opgesloten in een donker hok van 3 x 3 meter zonder frisse lucht en water.
Hier bleek dat broeder Clemens aan de verwondingen was gestorven, waarschijnlijk aan bloeduitstortingen in de hersenen.
Broeder Clemens heeft de hel van Bosoko niet overleefd. Hij stierf op 10 november 1964 als gevolg van mishandelingen tijdens een gruwelijke opsluiting. Na dertig jaar missionarisleven werd zijn tragische graf de Congostroom. Hij werd 63 jaren oud.
(Gegevens Nelly van Kessel van Nunen/Montfortanen in Zaïre-H.Timmermans)

108
108

Den Beyerd Woonhuis
Huis den Beyerd, van het middeleeuwse gasthuis is niets overgebleven. Het oudste gebouw is nu ‘den Beyerd’ (vijftiende eeuw) aan de Gasthuisstraat. De kapel dateert uit de negentiende eeuw. ‘Den Beyerd’ was de gezamenlijke eet- en verblijfszaal voor de gasten en maakte deel uit van het gasthuis als toevluchtsoord voor de ‘pauperes Christi: de armen van Christus’. Zieken, gebrekkigen en mensen zonder onderdak werden opgenomen. Ook werd ‘den Beyerd’ bezocht door pelgrims, die op weg waren naar Compostella, Rome of Jeruzalem. Vaak waren het misdadigers, die deze tocht moesten maken als boetedoening. Toen steeds meer landlopers en zwervers zich verkleedden als boetvaardige zondaars en de godsdienstoorlogen het katholieke geloof onder druk zetten, raakten de bedevaarten langzamerhand in onbruik. Het Sint Joris gasthuis werd toen een woonhuis voor notabelen, waarbij een deel van de huursom moest worden besteed aan armenzorg.
In 1848 kreeg het pand opnieuw een sociale bestemming: het werd een ‘armenziekenhuis’ voor ‘oude of gebrekkige lieden’. Drie Oirschotse zusters namen de verzorging op zich. Het gasthuis groeide zo snel dat ook het aantal zusters toenam en het gasthuis in 1864 al erkend werd als zelfstandige kloostergemeenschap. Sinds die tijd is de functie van het gasthuis, ouderenzorg, niet wezenlijk veranderd. De zusters zijn weliswaar verdwenen, maar het gasthuis van weleer is uitgegroeid tot een modern woonzorgcentrum.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Hierbij betrekken plaatje 109. Betreft hetzelfde pand.
In de gevel van De Beyerd bevind zich een gevelsteen met de inscriptie:
HOSPITIUM S.GEORGII A.M.D.C.ET.SAL.P.INST. V.N.COM. de MERODE top. 1336 REST.R. v. D.A. ROVERS P.et D. 1848 REALD.R. v D.P.A. DE BONT P.1863.
Vertaling:
Gasthuis St. Joris Tot meerdere eer van God en tot heil van het volk. Gesticht door de Graaf de Merode in 1336.
Gerestaureerd door de zeereerwaarde Heer A. Rovers, Pastoor en Deken 1848.
Opnieuw gerestaureerd door de zeereerwaarde Heer P.A. de Bont, Pastoor 1863.
Op de gedachtenissteen staat de Graaf de Merode genaamd als stichter, maar dat blijkt niet juist te zijn volgens de archieven. Hier zouden Rogier van Leefdaal en Agnes van Kleef genoemd moeten worden. Pas in1455 zijn de De Merodes eigenaar van de halve heerlijkheid.
(Geschiedens van de kapel van St.Joris verzorgingshuis)
Dit pand was in de volksmond bekend als KJV huis (Katholieke Jonge Vrouwen) Deze jonge dames in Oirschot hadden hier hun onderkomen. Ook was er om de paar jaar een tentoonstelling van kerkelijke attributen zoals kazuifels, en andere hierbij behorende onderdelen. Later was het woonhuis met cafétaria van het gezin P. van Haren,
Inmiddels is het als woonhuis in gebruik.
(JSm)

111
111

De pasgebouwde Stoom Zuivelfabriek St Odulphus te Oirschot omstreeks 1920. De ‘boterfabriek’ stond nagenoeg op de hoek van de Gasthuisstraat, de Odulphusstraat en de Oude Grintweg. Rechts op de foto het ketelhuis, waar de stoom werd gegenereerd die in de fabriek diverse machines aandreef, onder andere om boter te karnen. Er waren in die tijd in Oirschot minstens drie stoommachines met bijbehorende schoorstenen, waarvan er nog twee trots overeind staan: op het voormalige terrein van Teurlincx & Meijers bij de Jumbo en achter Villa Amelberga aan de Bestseweg. Die van de looierij van Termeer aan het Standaardplein is verdwenen. Ook de schoorsteen van het melkfabriek is omgehaald en wel op 18 oktober 1982. Eén van de gemeenteambtenaren die dit spektakel kwam bekijken raakte toen licht gewond door rondvliegende stenen.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De officiële naam: Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Sint Odulphus.
Nadat op 5 april 1911 de algemene vergadering besloten had om de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek op te richten besloot de gemeenteraad op 29 april 1911 de grond hiervoor, zijnde een weiland van 0.21.30 aan de Gasthuisstraat te verkopen voor 1.100,– gulden . De akte hiervoor werd van gemeentewege ondertekend door burgemeester Johan Chrles Breton van Lith en Justinus Nicolaas Nuijens, gemeentesecretaris. Wethouder en gemachtigde van de zuivelfabriek, Adriaan van de Ven accepteert de transactie.
Drie dagen later besloot de algemene vergadering van de vereniging tot verbetering der zuivelbereiding “De Volharding” te Straten tot ontbinding. Op 6 september 1911 onderging de boterfabriek Spoordonk hetzelfde lot. Vermeld zij, dat in de Notel ook een boterfabriek operationeel geweest is.
(Uit Oirschots Heem uittreksel van een artikel van Henk van Hout)

119
119

Hoewel Oirschot gelukkig nog heel veel monumenten over heeft, zijn er in de 20e eeuw toch nog veel gesloopt. Een ervan is het Grote Begijnhof, aan de Gasthuisstraat. Het stond, als je van de Grote Stoel komt, rechts op het eerste deel tussen de Oude Grintweg en de Lindenlaan. Het moderne wooncomplex aldaar heeft nog steeds de naam Begijnhof, maar ziet er heel anders uit.

Het Grote Begijnhof bestond uit een achttal huisjes. Oorspronkelijk gebouwd door de fundatie (stichting) “Amelrijk-Boots” in 1472 voor de armen van Oirschot, zijn ze tot vlak voor de sloop in 1957 bewoond geweest. Niet langer door alleenstaande begijntjes, maar door complete gezinnen. Er was immers woningnood, De huisjes waren primitief in onze ogen, om en om gespiegeld en verstoken van waterleiding of elektriciteit. Geen inpandige toilet, maar een ‘huiske’ achter buiten, aanvankelijk zelfs zonder deur. De put voor de huisjes moest het gebrek aan waterleiding goedmaken.

Deze put is overigens op het pleintje van het nieuwe wooncomplex bewaard gebleven, net als het kruis op de laatste schoorsteen. Dat handgesmede kruis dateert van de 16e eeuw en is nu aan een muur bevestigd in het complex. De bovenverdieping van de acht huisjes was één grote lange zolder, die de bewoner met jute of kippengaas een beetje voor zichzelf probeerde af te schotten. Net als bij de ‘huiskes’ was er ook op zolder weinig privacy.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Vriendelijker was het geweest als gesproken werd over de Begijnhof, de officiële naam van de huisjes-groep. De put is later verplaatst naar een pleintje achter de voormalige Begijnhof en kreeg eindelijk de naam die het verdiende met de bekende put van de ‘armenhuisjes’.
Zie plaatje 118. (JSm)

128
128

Geschiedenis
Tot het midden van de 18e eeuw is de pastorie gevestigd geweest in diverse panden, onder andere in de Molenstraat. In 1763 bouwde pastoor-deken Petrus van Helmont een nieuwe pastorie aan de Nieuwstraat 39-41. Dit huis lag vlak bij de schuurkerk die van 1677 tot 1800 als parochiekerk diende. Rond 1800 mochten de katholieken uit hun schuilkerk tevoorschijn komen en was het weer geoorloofd om katholiek te zijn. In 1853 werd de bisschoppelijke hiërarchie hersteld en gingen overal weer parochies met pastorieën functioneren. Het kerkbestuur ruilde in dat jaar de pastorie tegen het huis van notaris De Jong aan de Nieuwstraat 17a. Dit huis uit circa 1750, met het karakteristieke schilddak, lag voor pastoor De Bont dichter bij de kerk. Architect Van Tulder uit Tilburg ontwierp vrijwel onmiddellijk een herenhuis en bouwde dit in 1854 tegen de oude pastorie aan (Nieuwstraat 17). Door deze aanbouw waren er meer kamers voor pastoor, kapelaans, huishoudster en huishoudelijk personeel. Ook werd er een koetshuis voor de koets van de pastoor aangebouwd.

Het leven op de pastorie
Rond 1952 was deken De Vries pastoor van Oirschot. Hij woonde in de pastorie samen met twee kapelaans. De pastoor bepaalde de regels van het huis. Pastoor, kapelaans en huishoudster (de ‘pastoorsmeid’) hadden ieder een eigen zitkamer en een eigen slaapkamer. Daarnaast waren er vaak een of twee inwonende jonge meisjes, die in de huishouding meewerkten om het vak te leren. De helft van de huidige koorzaal was de gezamenlijke zitkamer voor de heren en kon door de schuifwand worden vergroot voor grote bijeenkomsten als dekenale vergaderingen en feestelijke diners met zeer veel gangen, uitgelezen wijnen, en sigaren en Franse cognac toe. De kelder onder de pastorie is speciaal ingericht om de goede wijn te bewaren en zo nog beter te worden. Pastoor en kapelaans hadden hun eigen voorraad wijn en ook hun eigen kolen in de kelder om de kachels te stoken.

Aanvulling van Sjef Smetsers

(Zie ook aantekening bij plaatje 9.)
Tot het midden van de 18e eeuw is de pastorie in de Molenstraat in diverse panden gevestigd geweest.
Rond 1800 was er een schuilkerk, die van 1677 tot 1800 als parochiekerk diende. Deze schuilkerk stond ook aan de Nieuwstraat, laatste woning aan dezelfde zijde van de weg.
Het was pastoor Petrus van Helmont die in 1763 een nieuwe pastorie aan de Nieuwstraat bouwde dicht bij de schuilkerk, die van 1677 tot 1800 als parochiekerk dienst deed.
Nadat bij de Bataafse Republiek in 1796 de scheiding van kerk en staat was afgekondigd, werd in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. Er konden weer katholieke activiteiten plaatsvinden.
In dat jaar ruilde het kerkbestuur haar pastorie van 1763 met de woning van notaris de Jong (Nieuwstraat 17). Dit huis met het karakteristieke schilddak, was van 1750 en lag voor pastoor de Bond dichter bij de kerk.
Vrijwel direct daarna ontwierp architect van Tulder (1819-1903) uit Tilburg een herenhuis aansluitende aan de pastorie, zijnde de aangekochte woning van notaris de Jong, waardoor voldoende plaats was voor huisvesting van de pastoor, kapelaans en dienstdoende personeel. Ook voor een wijnkelder was ruimte.
Op het plaatje zien we op de voorgrond de pastorie van architect van Tulder met daarachter gedeeltelijk de (oude) woning van notaris de Jong. (Nieuwstraat 17)
In de tachtiger jaren wordt pand Nieuwstraat 17a pastorie, waarin pastoor/deken zijn domicilie had en is Nieuwstraat 17 Pastoraal Centrum geworden.
(Herstel van de bisschoppelijke hiërarchie/Parochie Nieuwstraat/JSm)

129
129

De ‘Karmel Sint Jozef’ in de Nieuwstraat van Oirschot heeft een lange en veelbewogen geschiedenis achter zich. De stichting van het klooster gaat terug tot 21 mei 1644. Op die dag arriveerde een kleine groep karmelietessen uit Antwerpen onder leiding van zr. Maria Margaretha der Engelen (Maria van Valckenisse), en betrok het huis van Silvester Lintermans, ‘Huize Blijendaal’. Deze had zijn woning ter beschikking gesteld voor de stichting van een Karmelietessenklooster. Zijn dochter Maria was er de eerste novice. Helaas heeft het klooster maar negentien jaar bestaan.

Aanvulling Sjef Smetsers

Zie ook plaatjes 130-139
De Oirschottenaar Silvester Lintermans had zijn woning, genaamd ‘Huize Blijendaal’ in de Nieuwstraat te Oirschot op 21 mei 1644 beschikbaar gesteld aan de stichting ‘De Karmel Sint Joseph’. Op die dag betrok een kleine groep Carmelitessen uit Antwerpen onder leiding van zuster Maria Margaretha deze woning. De eerste novice die intrad was dochter Maria van Silvester Lintermans.
Vanwege het niet meer willen gedogen door de protestantenvan de communiteit moesten de zusters in 1663 vluchten. (zie bij plaatje 9 waar o.a. gesproken wordt over de vrede van Munster in 1648)
De Heilige Non was toen al (op 6 februari 1658) gestorven, maar zij zou blijvend verbonden blijven met de Karmel van Oirschot.
Het duurde nog ongeveer drie eeuwen voordat er een nieuwe stichting tot stand zou komen. Deze nieuwe stichting van de Karmel zou in 1931 tot stand komen in ‘Blijendaal’ onder de naam ‘Karmel Sint Jozef’.
Zes zusters betrokken het huis en in 1954 kon het klooster door middel van giften door weldoeners worden afgebouwd. Om volledig te zijn het volgende vanaf 1954.
Na een fusie met enkele andere kloosters is er sinds 1991-1992 een verzorgingshuis voor bejaarde en zorgbehoevende zusters van de Karmelietessen in Nederland. Daarvoor is aan het klooster een speciaal verzorgingsgedeelte aangebouwd, waar intussen ook (vrouwelijke) leken kunnen worden opgenomen.
‘Amaliazorg Blijendaal’ is verantwoordelijk voor de verzorging van de zusters. In de oorspronkelijke woning van Silvester Lintermans was op de zolder een klein museum over de ‘Heilige Non’ ingericht.

134
134

Op de plaats waar nu dit in Eclectische Stijl ontworpen gerechtsgebouw staat, was vroeger een bleek of blaak. Dat was een kuilvormig weilandje met water en gras waar de vrouwen hun was op het gras te drogen konden leggen. Om te zorgen dat geen honden of katten de schone witte was zouden bevuilen, was zo’n bleek omzoomd door een dichte heg.

Het kantongerecht was tot 1908, het jaar waarin dit gebouw gereed kwam, gevestigd op de bovenste verdieping van het oude raadhuis. Daarna verhuisde het voor slechts twintig jaar naar dit gloednieuwe gebouw. Let op de houten jaloezieën die aan de buitenkant van de ramen hangen: een nostalgisch staaltje van zonwering. Rijksarchitecten vader en zoon Metzelaar uit Amsterdam tekenden het gebouw in een voor hen kenmerkende stijl, want ook in de kantongerechtsgebouwen van Nijmegen en Helmond herkennen we de hand van deze architecten.

Nadat het lange tijd het streekarchief had geherbergd, werd het in 2003 verbonden via een moderne hal met het gemeentehuis dat begin jaren 1980 gebouwd is in de stijl van de Bossche School. Het kantongerecht biedt nu stijlvol onderdak aan het college van Burgemeester en Wethouders.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Na de val en de aftocht van de Fransen uit ons land in 1830 werd door eigen nieuwe bestuurders gewerkt aan nieuwe wetten, nieuwe regels en organisatie. Pas in 1827 kwam de wet op de rechtelijke organisatie tot stand die verder uitgewerkt moest worden. Het zou kunnen dat bij een nieuwe indeling van de nieuwe kantons, Oirschot haar hoofdplaats van dat kanton zou veerliezen en dus ook als plaats van een rechtbank en gekozen zou worden voor Hilvarenbeek.
Door de gemeente werd een indringende brief naar ‘Hunne Edele Mogenden’ in den Haag geschreven, dat het niet meer als billijk was om toch zeker voor Oirschot te kiezen. Er werden diverse argumenten aangevoerd en ten overvloede zocht de gemeenteraad het nog hogerop door een verzoek aan de koning te schrijven.
Om de kantonrechter binnen te halen moest Oirschot nog wel aan enkele voorwaarden voldoen. Ook moesten er kamers beschikbaar komen voor o.a. de terechtzitting, de griffier, beraadslagingen etc. en natuurlijk het nodige meubilair. De gemeente kon hier ruimschoots aan voldoen door het gemeentehuis te verbouwen.
Onze eerste Oirschotse kantonrechter Willem Franciscus Guljé begon in 1838 te functioneren.
In 1860 vond uitbreiding van de rechtsmacht plaats en moest het gemeentehuis opgeknapt worden. Vermoedelijk begon het begin van de 20e eeuw wat druk te worden op het gemeentehuis door toename van gemeentelijke diensten en ambtenaren, zodat de in 1902 benoemde nieuwe kantonrechter mr. Jan van IJsselsteijn in 1904 al een onderhoud had met de minister van justitie over een te bouwen kantongerechtsgebouw in Oirschot. De minister was niet ongenegen zo bleek uit een overlegverslag van de kantonrechter met de burgemeester, Breton van Lith, als de gemeente steun zou verlenen door het gratis afstaan van de bouwgrond.
In februari 1904 diende de burgemeester hiervoor een voorstel in. Wethouder van Heumen maande tot voorzichtigheid. Toch werd met algemene stemmen besloten een stuk grond gelegen achter de bleekkuil gratis af te staan aan het rijk.
In 1904 lag er een uitgewerkte bouwtekening op tafel en in juli 1905 keurde de raad het gehele plan goed. En in dezelfde maand kwam de provinciale goedkeuring. Op 11 september 1905 werd er een officiële akte getransporteerd tussen enerzijds de vertegenwoordigers van de gemeente: burgemeester Breton van Lith en secretaris Justinus Nuyens en anderzijds minister mr. Eduard Ellis van Raalte, minister van Justitie.
Er werden wel enige verplichtingen opgenomen o.a. dat de bestaande vijver (bleekkuil) als brandput kan blijven bestaan. Ook zal de vijver aan een kant een beetje worden verbreed, en heesters zullen worden geplant zodat het karakter van een vijver wordt gegeven. De verplichting voor de gemeente bestaat verder uit het voor- en zijterrein onbebouwd laten en slechts tot plantsoen met opgaande bomen bestemmen, zodanig dat vanaf de muziekkiosk op de markt steeds het rijksgebouw in volle omvang zichtbaar blijft.
In 1924 wilde de minister van Heemskerk uit zuinigheidsoverwegingen verschillende kantongerechten opheffen. De plannen gingen de ijskast in, maar in 1926 probeerde minister Donner het nog een keer. Uiteindelijk werd in 1933 het Oirschotse kantongerecht officieel opgeheven.
Uit Van den Hert, door Clarie van Es van Hout
Hierna werd het gebouw als ontvangkantoor van de Rijksbelastingen in gebruik genomen waar de heer J. Hendriks ontvanger was en de heer Willem Schoenmakers uit de Nieuwstraat beambte (hij is 103 jaar oud geworden en altijd lid gebleven van de harmonie Art) , Verder de dames Cor van Bremen uit de Nieuwstraat (latere echtgenote van Willem de Croon en moeder van Jos de Croon van de drukkerij) en Erna van Bree van de speelgoedwinkel in de Rijkesluisstraat. Bij de opheffing van dit kantoor ging de heer Hendriks als inspecteur naar de inspectie van de belastingen in Eindhoven en Erna is overgeplaatst naar het belastingkantoor in Tilburg en gehuwd met Huub van Bremen broer van Cor van Bremen. Het was de laatste wens van Erna van Bree om in Oirschot haar afscheidsviering plaats te laten vinden in het Boterkerkje, hetgeen op 11 april 2022 is geschied.(JSm)

135
135

Het R.K. Bondsgebouw stond vroeger op de plaats waar nu het gemeentehuis staat. Het werd gebouwd in 1904 en aan de kleding van het poserende groepje mensen te zien dateert deze foto uit die tijd. De nissen waren nog niet alle gevuld, maar de drie uiteindelijke beelden waren van St. Isidorus (patroonheilige van de R.K. Boerenbond, die er vanaf het begin vergaderde), van St. Jozef (patroon der timmerlieden, dus meubelmakers) en van St. Vincentius (patroonheilige o.a. van liefdadigheidsinstellingen). Behalve vergaderingen vonden er in het gebouw tal van andere activiteiten plaats. Het bood onderdak aan toneelgezelschappen en diende als bibliotheek, volksbank, stemlokaal, school, kwartier voor soldaten en als tijdelijke kerk vlak na de oorlog, toen de kerk verwoest was. Ook de scouting kwam er bijeen.

In het woonhuis links van het bondsgebouw woonde de laatste celibataire koster Piet Stams, samen met zijn zus. Zij hadden aan huis een winkeltje in religieuze artikelen. Links van dit woonhuis ziet u nog het puntdak van het openbare toiletgebouw: toevluchtsoord voor kerkgangers die van ver kwamen. De oudere Oirschottenaren die het zich nog herinneren, denken met gemengde gevoelens terug aan dit onwelriekende gebouwtje maar koesteren dierbare herinneringen aan het Bondsgebouw.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Het heeft geen zin om iets van het ‘gezichtsbepalend’ bondsgebouw te schrijven als men niet weet waar het gestaan heeft.
Ik neem jullie mee naar de Deken Frankenstraat en begin bij het leuke pittoreske bloemen/cadeauwinkeltje (voorheen bakker Nol, later Leo Nuijens).
De eerste straat is de Dirck van Ameijde straat, die eindigt bij de vroegere bakker van Haren/de Mol (de bakker van de heerlijke ‘mollen’ speculaas, vooral in de sinterklaastijd).(Kerkstraat)
Het gehele gebouw links was ‘Den Bond’ ofwel het ‘Bondsgebouw’. Voor vele doeleinden te gebruiken Verhoging voor toneeluitvoeringen e.d. met daaronder (kleine kamers ) en aan de aan de zijde van de Kerkstraat een kelder met rooster. De grote zaal was door schuifdeuren in drieën te delen en voor diverse doeleinden te gebruiken.
De voorkant van het gebouw lag aan de Deken Frankenstraat. Een forse gevel met drie grote beelden, die thans bij de hoofdingang onder de toren staan.
Naast de voorgevel waren het woonhuis van koster Piet Stans, die daar met zijn vrouw/zuster(??) een winkel had in religieuze artikelen, de ingang naar de binnenplaats van ‘Den Bond’, de werkkamer/kaarsenmakerij voor grote kaarsen van de koster en als laatste het openbare toilet.
Verder een omheind terrein met daarachter de ‘bleekkuil’, ook bleekveld genoemd (zie plaatje 31 en 134) en hierachter het kantongerecht, thans bestuur gedeelte van het gemeentehuis.
De verwezenlijking van het gebouw vond plaats onder het pastoraat van deken J.B. Franken in het begin van de twintigste eeuw.
Aan de voorzijde van het bondsgebouw aan de Deken Frankenstraat waren drie grote beelden geplaatst op een console. Te weten: de heiligen Isidoris, Joseph en Vincentius. JSm

Er is een misverstand tussen Ad van Zelst en mij met betrekking tot de naam Isidoor.
Ad gaat voor Isidoris van Silvilla (Oirschots weekblad 2 februari 2022) en ik voor Isidoris van Madrid.(Wikipedia)
Eerstgenoemde was Bisschop en kerkleraar, leefde in ongeveer 600 en viert zijn naamdag op 4 april. De Isidoris van Madrid was landbouwer, leefde van 1070-1130 en viert zijn naamdag 15 mei.
Beiden zijn patroon van de boeren Waarom? Ik weet het niet maar als je iets nodig hebt dan spreek je eerder een boer aan als een kerkleider (!!!)
De andere twee heiligen zijn algemeen bekend. Joseph als man van Maria en voedstervader van Jezus van Nazareth, patroon van timmerlieden en Vincentius, die algemeen bekend is door de vele Vincentius verenigingen. Hij leefde van 1581 tot 1660.
In 1633 richtte hij in Parijs een vereniging van vrouwen op om armen en zieken te verzorgen, waaruit later de Dochters van Liefde zijn voortgekomen.
Hij is de patroon van liefdadigheidsinstellingen, wezen, zieken, armen en gevangenen. Tevens wordt hij aangeroepen om verloren voorwerpen terug te vinden.(uit Sanctus :Meer dan vijfhonderd herkennen/ Jo Claes, Alphons Claes/Kathy Vincke)

Er werden ‘s zondags in de wintermaanden toneeluitvoeringen gegeven (s‘middags voor de dames en misdienaars en s’avonds voor de heren)
Onder en naast het podium waren kleine vergaderruimten en er was ook een kelder.
De kleine vergaderruimten waren voor diverse doeleinden o.a verkleding sinterklasen/zwarte pieten in Sinterklaastijd voor huisbezoeken door jonge middenstandvereniging en jonge werkliedenbond, voorbereiding communiefeesten en andere kerkaangelegenheden. Ook vergaderende er het bestuur van de R.K. fabrikanten vereniging.
De heer Poulussen, teken leraar van de Franciscanessen Kweekschool, had een groep opgericht voor bijzondere lezingen. Ik kan de lezing van piloot Virruly. Nog goed herinneren, denk wel het was in de dertiger jaren!!
Tijdens deze lezingen werden gedichten ongezegd door Henk van den Eijnde, kantoorbediende en zoon van een bakker in Oirschot (Nieuwstraat).
Later was er een kleine bibliotheek.
Een zeer aangrijpend verhaal is aan het Bondsgebouw verbonden
(Dit verhaal heb ik van twee onafhankelijk verschillende personen uit het verzet vernomen)
De Oirschotse verzetsgroep had een persoon gearresteerd, die gevaarlijk kon zijn voor de groep. Hij werd opgeborgen in de kelder van het bondsgebouw en elke dag werd hij bezocht en werd hem eten verstrekt.
Bij een van die gelegenheden bleek de gevangene gras aan zijn schoenen te hebben.
Bekend was/en is dat er aan een kelder aan de buitenkant een ‘keldergat’ is, waardoor men naar buiten kon. Niet aan gedacht maar ik denk dat hier niemand aan dacht. (Ik kan me ook niet herinneren dat het rooster op het keldergat ooit openging.)
Deze man was dus gevaarlijk voor de groep en moest verdwijnen. Bij navraag bleek hij katholiek te zijn.
Hem was meegedeeld dat ze naar het buitenland zouden gaan en dat het niet ongevaarlijk was en adviseerde hem, zo hij dit wilde, kon biechten.
Pater Smeets, overste bij de paters Montfortanen, nam hem de biecht af.
Leden van de verzetsgroep hebben hem meegenomen richting België.
Onderweg is hij geliquideerd. (JSm)

Van bondsgebouw naar gemeentehuis Campinia jaargang 11.
Door Toke van de Ven-Lommers
Zo, B. e W., dat is het nou,
Daar staat het prachtig nieuw gebouw.
We hadden niets te vrezen,
We hebben niet vergeefs gewacht,
Er is gewerkt met man en macht’
Er is iets moois verrezen.

Dit kwam er voor ons uit de bus,
Gemeentehuis, zo heet het dus,
Het past in de omgeving
Die rijk nog aan historie is.
Die ons doet denken, heel gewis,
Aan vroegere beleving.

De burgemeester schreef dit neer:
“We kunnen nu gaan jubelen weer”.
Wij willen ’t onderstrepen,
Wij geven hier van hulde blijk,
Met zo’n gebouw zijn wij zo rijk,
Dat hebben wij begrepen.

Hier is een knap stuk werk verricht
’t Is een harmonisch evenwicht
En als we binnentreden
Dan worden wij ons welbewust:
Het interieur dat stemt tot rust,
Van boven tot beneden.

Het is ons allen heel veel waard,
Ook d’ ambtenaren uiteraard,
Die rustig komen werken,
Zij voelen zich al heel goed thuis
In dit zo’n mooi gemeentehuis,
Dat is al goed te merken.

Het staat daar stevig, stoer en sterk
Langs onze mooie grote kerk
Wat kan het beter wensen?
Zo zal dit huis dan openstaan
En kunnen wij er binnengaan,
Wij, Oirschots eigen mensen.

Zo is het gerealiseerd,
En heel veel geld geinvesteerd
Het ongemak geleden.
Dus B. en W. en heel het stel
Ik wil hier zeggen: “Dank je wel”,
Ons Oirschot is tevreden”.

Het onderstaande verhaal moet worden ingevoerd bij het plaatje 265 en mag zeker niet ontbreken voor ‘de oudheid’ van de verhalen. Oordeel zelf.
Tijdens deze werkzaamheden (Stoelfabriek Teulincx & Meijers) kom ik in contact met Just Nuijens, die een geweldige vondst deed. Bij oude stukken van de fabriek T&M lag een dik schrift (met de pen geschreven) titel: Notulen-boek en bescheiden betr. voormalige Fabrikanten vereniging vanaf 1919.(Volgens de binnenzijde van het dikke schrift stond de prijs geshreven van 1,95)

Op 8 september 1919
komen de volgende personen ergens in Oirschot bijeen met hetzelfde doel (J. Beliën, J.Nuijens, A. Schilde, P. van Leuven A. van Zelst, J. van Haaren en J. Erven.
“De fungerende voorzitter opent de vergadering.
Met algemeene stemmen wordt besloten de ontwerpstatuten der R.K. Vereeniging van Fabrikanten van Oirschotsche stoelen vast te stellen, zoals die aan de vergadering zijn voorgelegd en hierop de Koninklijke goedkeuring aan te vragen.
Hierna wordt overgegaan tot de
verdeeling der bestuurfunctiën.
Tot voorzitter wordt benoemd J. Nuyens met 10 stemmen, tegen 4 op J. Erven.
Tot secretaris wordt benoemd J. Erven met 9 stemmen, tegen 4 op A. Schilte en 2 op J. van Haaren. Tot penningmeester wordt benoemd A. Schilte met 10 stemmen tegen 4 op J. van Haaren en 1 op Beliën

Vergadering 11 september 1919
Toegelaten in de vergadering is de heer J.v.d.Laan, voorzitter van den Ned. R.K. Bond van meubelmakers, behangers, stoffeerders en aanverwanten vakgenoten uit Utrecht.
Verhoging loonen met 5cts. (wordt 10%)
Na een uitvoerige bespreking wordt besloten de loonen met 10% te verhogen, naar boven en naar beneden afgerond, in dier voege dat een werkman die eerst bv. 35 cts of meer tot 40 cts. per uur verdiende, 4 cts. verhoging ontvangt en iemand die eerst 30 cts tot en met 34cts. per uur verdiende, 3 cts. verhooging krijgt.
Deze loonregeling zal gelden, totdat een Collectieven arbeidsovereenkomst zal zijn tot stand gekomen.
Tevens wordt het besluit genomen de werkweek op donderdagavond te doen eindigen en de loonen op vrijdagavond uit te betalen.
Ten slotte wordt nog beslooten:
Om met de vaststelling van een collectief arbeidscontract
regelingen te treffen terzake het aanschaffen door de werklieden zelf.

Vergadering 17 september 1919
Loonregeling.
Einde notulenboek.

136
136

Aanvulling van Sjef Smetsers

landere voor de huiskamer. Links in de huiskamer de deur naar de bakkerij.
Bijzondere gewaarwording: Toen ik vroeger naar de winkel ging stond op de winkelbank een ronde pot. Vele keren heb ik gezien dat er iemand de winkel inkwam het deksel van de pot verwijderde en met twee vingers er iets uitnam. De pot weer dichtdeed en wat ij uit de pot opsnoof, niets betaalde en de winkel verliet. Het bleek ‘snuif !!’-snuiftabak- (moet streekwoord zijn -Eindhovern/de kempen )was. (Uit: Handwoordenboek Brabants-Nederlands/Nederlands-Brabants – Prof. Dr. Jos Xwanenberg)) Er werd niet voor betaald.
Voorheen was Jan Nuyens de bakker die met mw. Wouters getrouwd was. Hij liet voordat hij met pensioen ging aan de Spoordonkseweg een woning bouwen. Deze woning was destijds bekend als de woning met de koperen voordeur. (Deur met koperen plaat beslagen)
Arnold Nuyens nam zijn bedrijf over. Een broer van Arnold had al een bakkerij in Bladel.)
Arnold kreeg hulp van twee ongehuwde broers: Antoon en Klaas, die nog thuis woonden
Bij het huis behoorde ook een woning voor de knecht. Daar Arnold geen interne knechten nodig had werd de woning in 1927 verhuurd aan Bert Smetsers met Christina Rijken zijn jonge bruid uit Boekel, In dit pand zijn hun drie kinderen geboren voordat zij ‘De Rijsende man’ aan de markt in 1931 kochten.. In het door hen gehuurde pand is thans (2019) een kledingzaak ?? . Wat nu ingang is, was vroeger de achterdeur van het verhuurde pand.
JSm)

137
137

Het bakstenen gebouw aan de linkerkant van deze foto heeft indertijd moeten wijken voor het nieuwe gemeentehuis, Het raam behoorde aan één van de vier huisjes van een zogenaamd ‘gasthuis’, dat het kleine begijnhof werd genoemd: het grote begijnhof stond in de Gasthuisstraat.

Over de laatste bewoners van deze kleine huisjes, die tezamen één ‘sekreet’ (toilet) hadden, is veel bekend. Eén van hen werd de “Sjek Koningin” genoemd: Anna Meurs-van Rooij, die in de oorlog uit België gesmokkelde shag verkocht.

De dame met de poffer is Janske van Haaren-de Graaf, ook Janske de Mol genoemd. Zij woonde in het witte huis rechts op de foto. Dit huis staat er nog steeds en wordt nog steeds door de familie bewoond.

Aanvulling van Sjef Smetsers

In de kleine begijnhof. Ik heb deze naam nooit gehoord. Er woonde in de ‘Kleine Begijnhof’ o.a. de familie Meurs in de laatste woning. Zoon Wim was mijn klasgenoot en ging later als beroeps in militairen dienst (Marinier).
Voor wat betreft de familie van Haaren (‘de Mollen’), moeder Janske en de broers Sjef en Harrie.
Waarschijnlijk zijn zij de laatste bakkers uit Oirschot die met musterd (takkenbossen) hun oven verwarmden. Sjef trouwde met Willemien Hobbelen, die woonachtig was in de woning achter in het kantongerecht. Willemien heeft direct na de bevrijding nog gewerkt op het kantoor van de V.V.O. (VoedselVoorzieningOorlogstijd) (Kamer in het klooster van de Franciscanessen) en was mijn collega met Kees van Kempen,(vooraan in de Koestraat) broer van Jan Peeters (t.o. klooster), zoon bakker v.d. Eijnden en later getrouwd met Fientje Roefs (toen t.o. kantoor) Jan v.d. Sande (onderwijzersfamilie uit Spoordonk), Piet van de Ven was kantoorhouder.
Dochter Janske is getrouwd en heeft met haar man een ‘Bed en Breakfast’ bedrijf.(JSm)

141
141

De voormalige Latijnse school is een in opzet 16e eeuws dwarshuis, dat waarschijnlijk tevens de scholaster en kanunniken onderdak bood. Toen door de val van ‘s-Hertogenbosch in 1629 veel katholieke leerlingen naar Oirschot trokken, werd het pand ingrijpend verbouwd. Het resultaat was een tweelaags gebouw met hoog zadeldak tussen trapgevels, voorzien van jaartalankers, geprofileerde korfbogen, boogtrommels met metselmozaïeken en speldagen in Maniëristische vormen. De Latijnse school van Oirschot is als gebouw goed bewaard gebleven.

Volgens de lokale historicus J. Lijten heeft de Oirschotse Latijnse school vermoedelijk reeds in de Karolingische tijd een schoolopleiding verzorgd. Het befaamde kapittel in Oirschot zou zijn ontstaan uit een klerkencollege dat gewoonlijk het onderwijs verzorgde. Vanaf de dertiende eeuw spreken de bronnen over de Oirschotse school:

‘Onder het bestuur van het kapittel en diens scholaster werd die opleiding gegeven in twee afdelingen, totdat ze in de onrustige tijd van de zestiende eeuw tot één afdeling terugviel, terwijl een tweede afdeling als dringend gewenst beschouwd bleef worden. Na een korte hoogbloei van 1629 tot 1648, waarin de school onder het dorpsbestuur en de leiding van bekwame rectoren vier afdelingen telde, werd ze enige tijd als melkkoetje gebruikt door enkele profiteurs, om in 1678 een stille dood te sterven. Ons rest nog het gebouw, waarin de school haar hoogbloei beleefde en dat Oirschot in respectvolle piëteit voor de toewijding van het voorgeslacht als een van zijn kostbaarste monumenten dient te beschouwen.’

Het aantal leerlingen zal na 1652 steeds erg klein geweest zijn, zodat het niet aanlokkelijk was, om een van de grote schoollokalen van de Latijnse school te gebruiken. Volgens een verklaring ten overstaan van de schepenen d.d. 12-03-1674 had men tot leslokaal voor dit kleine groepje beslag gelegd op de sacristie van de Sint-Petrus-kerk aan de kant van de markt, waarin ook een aparte buitendeur werd aangebracht. Het Franse bezettingsleger liet in 1672 deze deur echter dichtmetselen, waarna de lessen aan huis werden gegeven. De dichtgemetselde deur is nog te zien. Men kan daaraan ook zien, dat zij niet oorspronkelijk was en blijkbaar apart voor de Latijnse school was aangebracht. De uitspraak, dat het Oirschotse dorpsarchief eeuwenlang ‘op de Latijnse school’ werd bewaard, zal men dus letterlijk moeten nemen. Het archief werd bewaard in de kamer juist boven het vertrek, waar in de vervaljaren vóór 1672 de Latijnse school werd gehouden.

144
144

Ingang Koestraat vanaf de Markt omstreeks 1910. Links het café van voerman, bode en rijtuigverhuurder Peer Teraa (thans Koestraat 4). Rechts met dubbele deur café Laenen, (thans Koestraat 5). Links daarnaast (thans Koestraat 7).

Aanvulling van Sjef Smetsers

Op de hoek rechts vooraan in de Koestraat woonden de gezinnen Jan Laenen, Frans Leurs, Kees Bogmans en zie 147: Kees van Kempen
Dochter Fien van het gezin Leurs was conductrice bij het bedrijf Vitesse, dat busdiensten onderhield tussen Eindhoven en Tilburg, v.v.
In 1939 kreeg zij verkering met een militair die in Oirschot was gelegerd en in een van de kazernes verbleef. (Er waren twee houten tijdelijke kazernes t.w. in de Kanaalstraat en de Oude Grintweg en de zaal van de Beurs was als zodanig ingericht) . Op 15 augustus 1940 is zij door de militair bij de Helleweikes (toen nog weilanden) vermoord.
Links op het plaatje staat de boom, die later is omgewaaid.(mei/juni 1935) Plaatje 51.
Dit plaatje (144) is van eerdere datum als plaatje 51, mede gezien de ‘richting aangever’ van de ANWB aan de rechterzijde.
Links van de openstaande poort is een deur en twee ramen met vensters. Als we plaatje 145 bekijken dan is de openstaande poort onderdeel van de latere winkel van ‘Drukkerij de Croon van Heerbeek’, gezien de deur met de twee ramen.
Verder de Koestraat in (links) hebben we dan de woningen van Cees Teraa (zoon Piet was kunstschilder en is later naar België vertrokken), kinderen de Leest (Kees met zuster), gezin Kees van Tiel, kleermaker, Peter Smetsers, timmerman (ouderlijk pand bij ouders, zie plaatje )en Jos v.d. Ven, hoek Heistraat/Koestraat).
JSm.

145
145

Aanvulling van Sjef Smetsers

Zie ook plaatje 327
Op 16 maart 1761 koopt Michiel Smits dit pand, genaamd de Osge Kop en begint er een bakkerij. Tot 1903 is dit pand als bakkerij in gebruik geweest in het bezit van de familie Smits. (noot Han Smits)
In de dertiger jaren woonde in dit pand de familie de Croon, vader Hein, moeder intussen overleden, zonen Harrie en Willem en twee dochters, Jo en Anna.
Harrie en Willem gingen in de jaren dertig samen in het bedrijf van vader verder en de boekhandel kwam in handen van de dochters.
Jos, (bedrijfsvoering) de zoon van Willem, en Toon, (productie) de zoon van Harrie, namen het bedrijf over.
In 1961 is een nieuw pand in gebruik genomen verder de koestraat in tegenover het klooster van de zusters Franciscanessen en in 1981 werd de drukkerij verplaatst naar ‘Den Heuvel’ waar het thans nog gevestigd is.
Toon is in 2007 met pensioen gegaan en zijn neef Jos een paar jaren later. Het bedrijf is toen in andere handen overgegaan, maar de naam ‘Drukkerij de Croon van Heerbeek’ is gebleven.
Wim, de zoon van Harrie, heeft de boekhandel van zijn tantes in juni 1977 overgenomen, toen zij het bedrijf beëindigde, en heeft zich in 1984 gevestigd in het tegenover gelegen pand, bekend als de winkel van Fientje Roefs, (stoffenzaak echtpaar Hein van den Eijnden en Toke Roefs). (Toke was het nichtje van Fientje, waar zij haar opleiding van coupeuse besloot) De stoffenzaak werd beëindigd.
Wim is in 2003 naar het winkelcentrum gegaan en heeft, bij gebrek aan opvolging zijn bedrijf in 2020 beëindigd. In zijn pand kwam wijnhandel ‘Mitra’ en in dat van ‘Mitra’ kwam ‘Primera’ dat zich toen in het winkelcentrum vestigde.
JSm.

146
146

Klooster Nazareth in de jaren twintig van de 20e eeuw. Het gebouwdeel rechts van de dubbele toren was de kweekschool, waar “pensionaires” (alleen meisjes) werden klaargestoomd voor het onderwijs. Later deed dit gebouw dienst als de Elisabeth Ulo, later Kempenhorst Mavo, een fusie van de meisjes Ulo en de jongens Ulo uit de Jan van Speijklaan. Toen de kweekschool verdween, bleef er een Havo top achter die in 1985 samenging met het Heerbeeck College in Best. Het gebouw bestond toen uit twee verdiepingen leslokalen en een zolderverdieping vol chambrettes voor de internen. Tegenwoordig is dat gebouwdeel een woningcomplex waarbij de twee verdiepingen leslokalen (let op de hoge ramen in de foto en vergelijk ze met de situatie nu) zijn omgevormd tot drie verdiepingen appartementen, samen vormend het Burgemeester Sandershof. Voorts valt op deze foto de prachtige muur op, die doorliep tot het gebouw dat nu De Oirsprong is. Deze muur met zijn markante poorten is in de jaren 1950, 1960 afgebroken. Het kleine huisje rechts, van de familie Smetsers, heeft plaats gemaakt voor de inrit naar waar voorheen Bouwmarkt Van de Wal was gevestigd. Daarnaast ligt nu een parkeerterrein. De blote armen van de zomerse fietsster maken het onwaarschijnlijk dat deze foto in de jaren 1930 /1940 is gemaakt.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Dit plaatje past ongeveer op plaatje 144, zij het dat het van oudere datum zal zijn. Op dit plaatje staat namelijk links van het midden het herenhuis waar destijds de enige leken leraar (Poulissen) woonde, die verbonden was aan de ‘kweekschool’ van de zusters Franciscanessen De woning was gelegen op de hoek van de Heistraat/Koestraat (rechts) De koets, op dit plaatje te zien, zou afkomstig kunnen zijn van de familie van Haaren. Zie plaatje, bespreking de Beurs
JSm.

148
148

In de periode einde 19e eeuw, begin 20e eeuw dreef de Zouaaf Louis Nuijens hier een bakkerij. Later kocht hij de Karmel om daar te gaan wonen. Later woonde daar banketbakker M. (van Marinus) van de Sande, met stekelhaar, staat omstreeks 1925 voor het pand dat we nu kennen als Huize de Valk in de Koestraat. De winkelpui ziet er grotendeels nog hetzelfde uit, hoewel enkele details zijn verdwenen. Het was een chique winkel, want koek en banket, chocolade en suikerwaren vormden een luxe assortiment. En een etalage waarvoor menigeen zal hebben staan watertanden.

Bakker van de Sande was geboren in Liempde 25-03-1881 (overleden te Oirschot 20-07-1960). Rechts achter Marinus staat zijn vrouw Anna Maria van de Sande-Winters, geboren te Veghel 09-05-1883 (overleden te Oirschot 30-09-1954). De bakkersknecht is Johan van Empel. De achternaam van het meisje is Van Cuijk. Er wonen nog heel wat nazaten van deze Rinus in ons dorp, maar ook in Engeland, waar kleinzoon Rinus een kunsthotel met beeldentuin runt. De bakkerswinkel was vóór hun emigratie een tijdlang deel van het Kunst Kijkhuis Koestraat.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Hoe men aan de naam Huize ‘den Valck’ komt is niet bekend. Wel is er bij ‘Visit Oirschot een namenlijst van panden waaraan een naam is toegekend, maar daar staan geen toelichtingen bij, alleen adres met naam en afbeelding.
Bakker M. v.d. Sande was afkomstig uit Liempde en kocht het bedrijf van Bakker Louis Nuijens; Louis Nuijens had daar een bakkerij en was als jongeling als Zouaaf naar Rome geweest. Voor de winkel staat de bakker, met zijn echtgenote en twee hulpen die in de winkel/bakkerij behulpzaam waren.
Zijn zoon Bernard heeft het bedrijf, naar ik meen, rond 1945/50 overgenomen. In de bakkerij werkte Pieter van Assouw toen Rinus het bedrijf van zijn vader overnam. Ook Henk-Jan Liebrand werkte bij Rinus, die in 1990 de bakkerij, winkel en bedrijf, van Leo Nuijens kocht, in verband met vertrek naar België.
Rinus en Pieter gingen in 1962 een Vennootschap onder firma (VOF) aan en Rinus had in die tijd ook een VOF met Henk-Jan Liebrand voor bakkerij de ‘Reijsende man’.
In de door Rinus gekochte bakkerij van Leo Nuijens brak in 1994 brand uit. Na de brand vestigte Rinus en Pieter van Assouw zich met de bakkerij naar het bedrijventerrein op ‘Den Heuvel’ en in 1996 vertrok Rinus naar Engeland en vestigde zich in het Britse Muddiford. (Zie voor het verhaal van ‘de drie musketiers’, ‘Het verhaal van de Reijsende man’ (pag. 69) door JSm – ’t Bint).
Nabij de stad Barnstaple in Nort Devon werd hij hotelier en kunstmaecenas. Rinus heeft zijn hotel ‘Broomhill’ midden 2020 verkocht aan een Amerikaan en gaat in juli 2021 in Spanje wonen. Daar wil hij een kunstverzameling ten toon stellen. Op welke manier is nog in ontwikkeling.

151
151

De grond aan de Koestraat waarop de brouwerij zou verrijzen was in 1659 in handen van Jan van Elmpt, die gelegenheidsbrouwer was. Een dergelijke brouwer tapte zijn zelfgebrouwen bier in de herberg die hij bezat. In 1672 verkocht hij een deel van de grond aan Arnold Fey, die woonde in het Hof van Solms, dat naast deze grond was gelegen. De grond werd in 1675 overgenomen door Jans schoonzoon Jan Aerts van Croonenborch, die er een huis bouwde. Zijn broer Daniel Aerts van Croonenborch was eveneens gelegenheidsbrouwer. Toen beide broers de brouwerij van Jan overnamen, verkochten ze de grond en het huisje aan wijnhandelaar Adriaan van Riethoven, die er een fraai woonhuis met bedrijfsruimte bouwde dat in 1682 gereed kwam en ook nu nog bestaat. In 1699 werd het huis verkocht aan Gerit van Heumen, en het is daarna, soms via de vrouwelijke lijn, in de familie gebleven. Vermoedelijk is de bedrijfsruimte steeds als brouwerij in gebruik geweest. Een der dochters trouwde in 1730 met Cornelis Dieliszoon de Croon, die het bedrijf in 1777 op zijn naam kreeg. Omstreeks deze tijd werd de C door een K vervangen en sprak men van De Kroon.
Het aantal brouwers te Oirschot bedroeg ooit acht, waarvan er in 1900 nog vier over waren. In 1916 waren er nog twee brouwers. De concurrerende brouwer was Anthonie Somers van hotel-restaurant De Zwaan. De brouwerij werd in 1916 door De Kroon overgenomen. Via huwelijk kwam ook brouwerij De Doornboom te Middelbeers in bezit van De Kroon. Hier kwam een bottelarij en limonadefabriek.
In 1996 werd Brouwerij De Kroon voor de helft overgenomen door Bavaria uit het naburige Lieshout. Oorspronkelijk was de bedoeling om gezamenlijk sterker te staan en investeringskosten te kunnen dragen, maar in 1999 kwam de brouwerij geheel in handen van Bavaria. Er waren toen 20 medewerkers in dienst. De productie werd overgebracht naar Brouwerij Koningshoeven te Berkel-Enschot. De Oirschotse brouwerij werd in 2002 gesloten, waarmee een einde kwam aan een lange traditie.
De voormalig directeur, Gerard de Kroon, startte enige maanden later de Brouwerij Oirschots Bier in hetzelfde pand. Het merk Kroonbier mocht echter niet meer worden gevoerd. Sinds 2015 wordt op deze historische plek aan Koestraat weer bier gebrouwen door brouwerij Vandeoirsprong. Dit is tegenwoordig een kleine museumbrouwerij maar ook een horeca locatie.

154
154

Aanvulling van Sjef Smetsers

Naast de ingang van de vroegere meisjesschool stond een gebouw en werd aangeduid als ‘naaischool’. Was eerder waarschijnlijk de ‘huishoudschool’ voor meisjes. Midden jaren dertig kwamen er ’s zondags heren, denkelijk van de Boerenleenbank of een andere instelling, die van schoolkinderen zegelboekjes innamen waarin zegels geplakt waren. De saldi werden bijgeschreven in een ‘bankboekje’.
Op school werden deze zegels verkocht voor vijf centen, om het sparen te bevorderen.
Pal naast de naaischool woonde het gezin Smetsers, de ouders van Peter de Kuit (Ik ben tegen ‘scheldnamen’, maar anders kan ik hem niet duiden) Zij hadden een café, zonder tap. Als je een pilsje bestelde werd dat uitgegoten uit een flesje. Een echt ouderwets gezellig cafétje. (Zo iets als het vroegere café van Mieke Vingerhoets, maar dan kleiner).
Het middelste huis werd bewoond door schoenmaker van Leuven. In dit gezin is Janus van Leuven, de latere gemeenteontvanger, geboren. Volgens mij had hij een paar zussen. Een (Koos) was onderwijzeres in Spoordonk. (Zie ook plaatje 39)
Het eerste huis werd bewoond door het gezin van huisschilder Van Beurden. Zij hadden twee zonen en twee dochters. Zoon Paul, die het bedrijf overnam, voorzitter werd van ‘De Zonnebloem’ en vroeg overleed. Hij wilde begraven worden met zonnebloemen in de kerk en gaf het bestuur de opdracht dat, als er niet voldoende waren, ze maar naar Blokker moesten gaan want daar hadden ze er genoeg. Dit werd tijdens de afscheidsdienst voorgelezen.
Paul was een vrolijke man die tot onze algemene vriendengroep behoorde. Hij woonde in Spoordonk en was gehuwd met Gonny van de Wal. De jongste zoon was Antoon in Oirschot een bekend architect die met zijn collega Lanfermeijer het ‘Architecten bureau van Beurden en Lanfermeijer’ stichtte. Hij was gehuwd met Corry Meeuwissen. (

164
164

Het laatste stuk van de Koestraat uitziend op Den Heuvel, in de tijd dat het kanaal net was geopend. Uiterst rechts de toenmalige smederij van Janus van Overbeek. Links van dit pand een wagenwiel als een draaimolen op de grond bevestigd; dat was zowel een hulpstuk voor de smid als “speeltoestel” voor de kinderen. Later werd dit het café van kastelein Jan (van de?) Kerkhof. Links daarvan, met Franse kap, Café “Rozenstein” van de meubelmakerfamilie Van Leuven – Van Hout. Rechts in het pand was het café,. links een winkel, waar de arbeiders van de meubelfabriek hun inkopen konden (of moesten?) doen. Ervoor één van de eerste terrasjes van Oirschot, links daarvan enkele boomstammen, waarschijnlijk voor de meubelfabriek. Dit pand is later ingekort en is helaas door brand verwoest. De eenzame fietser passeert zo dadelijk een ander pand met Franse kap, Den Heuvel 8 en 10, van de aannemers Bullens en Louwers. Bouwjaar 1922 en toen vrijwel nieuw. Het huis links op de foto staat er nu ook nog steeds en werd toen bewoond door Sjo van Hersel.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De beschrijving van plaatje 165 is eigenlijk een vervolg van de beschrijving die hier gaat volgen.
Links van het plaatje, verscholen onder de bomen, was de woning van Petrus van LEUVEN, gehuwd met Marie van Hout, en waar hun kinderen Piet en Cees werden geboren.
Het was een boerderijtje en zij hadden tevens een café (Rozestein) en kruidenierswinkel.
Rond 1880 ging Cornelis Jacobus Teurlincx zich bezighouden met het vervaardigen van de zgn. Amerikaanse stoel. Deze stoel zat geriefelijker hij maakte school bij de thuiswerkers, zoals Petrus van Leuven en begint in een vertrek van zijn boerderijtje. Zijn stoelennering begint dusdanig interessant te worden dat hij zijn boerderijtje verkoopt en in 1886 aan de overkant van de Koestraat een officiële stoelenfabriek te stichten.
‘Stoelen, tafels, banken en aanverwante artikelen’ en later hoogstens wat uitstapjes in de vorm van ‘wastafels’ en nachtkastjes,. Vergeten mag zeker niet de fabricatie van de speciale aanbieding van kerk- en bidstoelen en zelfs zeer eigentijds ogend tuinmeubilair.
Marie van Leuven van Hout drijft het café en kruidenierswinkel maar heeft blijkens de firmanaam ook een stevige vinger in de pap áchter het café.
Na 1900 komt er een explosieve groei en door de techniek, 1903 eerste petroleummoto; 1916 de zuiggasmotor en in 1918 een 12 pk. stoommachine.
In 1928 volgt een belangrijke stap met de opkomst van elektriciteit en doordat de vraag naar stoelen toenam, werden de nevenactiviteiten beëindigd.
Een tiental jaren later namen de kinderen Piet en Cees het bedrijf over. Piet als technisch directeur en Cees als financieel directeur en de fabricage nam een grote vlucht. ???????
In 1948 stapt Cees uit het bedrijf van Leuven van Hout en gaat met zijn zoon Pieter, die inmiddels met Klaartje Broeders is getrouwd onder de naam van Lebro, (van LEuvenBROeders) een verkooppunt/toonzaal voor meubels opzetten op het terrein waar thans de woningen van ‘De Moriaan’ staan.
De oudste zoon Pieter van Piet heeft inmiddels het bedrijf overgenomen en de jongste zoon Hans komt op 1 januari 1970 als mededirecteur in het bedrijf. Door het vroegtijdig overlijden van Pieter in 1971 ging als enig directeur verder.
Tijdens de eeuwwisseling liep de conjectuur van de meubelindustrie erg terug, maar in 2002 kon Hans zijn personeel onderbrengen bij Teurlincx Meyers onderbrengen.
Café Havenzicht.
Op het plaatje rechts had de familie van de Kerkhof in de dertiger jaren een cafe’. In 1931 werd de ‘Engelbewaarderschool’ gebouwd en kort hierna is Jopie van de Kerkhof, als kleuter van deze school, in het Wilhelminakanaal verdronken.
(Uit blad ‘Meubel’-23 mei 1986 en Hans van Leuven)

165
165

Aanvulling van Sjef Smetsers

De Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Oirschot besluit tot het opheffen van de diverse kleine zuivelfabriekjes en in haar algemene vergadering van 5 april 1911 wordt besloten tot de oprichting van een Coöperatieve Stoomzuivelfabriek.
De gemeenteraad besluit op 29 april 1911 om een perceel weiland (0.21.30 ha.) te verkopen. In deze transactie treden van gemeentewege op Johan Charles Breton van Lith *) en Justinus Nicolaas Nuijens, respectievelijk burgemeester en secretaris.

Gevolg was dat een aantal kleinschalige zuivelfabrieken in Oirschot werd gesloten of verkocht. Een daarvan was het pand op dit plaatje. Volgens de verkregen inlichtingen zou burgemeester Breton van Lith er gewoond hebben en in 1912 de fabriek tot woning hebben verbouwd.
Later is het bewoond geweest door Jan Erven sr. en zijn zoon Jan, meubelfabrikant. Beiden hebben inpandig veel houtsnijwerk aan laten brengen
In 1965 werd het pand aangekocht door Piet van Leuven, directeur van het meubelfabriek Van Leuven van Hout (zie beschrijving bij plaatje 164)
In 1970 werd het pand geheel gerenoveerd, onder andere werd de kap vernieuwd en vanaf 1975 wordt het door Hans, van de tweede generatie, bewoond.
(Hans van Leuven, JSm)

*) Burgemeesters van Oirschot vanaf 18??
18?? – 1882 Jan J. de Jong
1852 – 1888 Hendrikus de Croon
1869 – 1878 Adrianus Renardus Tret
1879 – 1894 J. N. H. M. van Baar
1895 – 1925 J. Ch. H. Breton van Lith
1925 – 1928 Jhr .C. H .M .J. J. van Nispen tot Sevenaer
1928 – 1938 Charles W. E. G. Janssens
1938 – 1967 Ed E.A.M. A. Steger RKSP
1968 – 1978 Mr. Henri H. K. J. M. Capetti
1978?-1979? Mr. Leo L. M. N. Schweitzer KVP waarnemend
1979 – 1990 Piet A. M. Sanders KVP/CDA
1990 – 2005 Mr. Frits G. I. M. Speetjens CDA
2005 – 2006 Mr. Jan J. M. Dosker CDA
2016 – 2017 Mr. Ruud A. L. Severijns PvdA
2017 heden Mr. Judith C.R. Keijzers -Verschelling CDA
(JSM-Wikipedia)

166
166

De eerste plannen voor een kanaal dat Tilburg en Eindhoven met de Maas verbindt, dateren uit 1794, maar het duurde tot 1910 voor er werd begonnen met het graven. In 1794 werd ervan afgezien vanwege de dreigende Franse inval, de rivier de Maas functioneerde als verdedigingslinie. Vanaf 1813, na de Franse tijd en de start van het Koninkrijk der Nederlanden, lag de beslissing bij koning Willem I die een groot voorstander was van aanleg; evenwel leverden onderhandelingen met de Belgen problemen op. De route werd echter al wel met piketpaaltjes geplaatst. Opvolger koning Willem II leefde te kort om de zaak te bespoedigen, anderzijds kwam door het democratiseringsproces de besluitvorming steeds meer bij het Parlement te liggen. De laatste gaf meer prioriteit aan het graven van de Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. De behoefte aan een kanaal bleef onverkort bestaan. De Tilburgse textielindustrie, inmiddels gemechaniseerd met behulp van stoom, zocht mogelijkheden voor kolenaanvoer en afvoer van de producten. De toenmalige wegen leenden zich slecht voor aan- en afvoer van respectievelijk kolen en textiel, en de Tilburgse industriële lobby ging onverkort door. Maar ook een plan van koning Willem III werd door de regering niet overgenomen.
Begin 20e eeuw werden de plannen uiteindelijk concreet en op 16 september 1916 meerde het eerste schip in Tilburg aan; het duurde echter tot 1923 voordat het kanaal voltooid werd. Op 4 april van dat jaar werd het officieel geopend. Het kanaal leek op dat moment zijn functie al te verliezen vanwege de komst van het (vracht-)autoverkeer. Eerst in de jaren vijftig bewees het kanaal zijn nut, vooral voor aan- en doorvoer van zand, grind en kolen. Het kanaal heeft zijn nut bewezen vanwege de groei van het binnenvaartverkeer.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Het hieronder staande is een uittreksel van ‘Het kanaal opgediept uit de notulen van de gemeenteraad’.( datum niet bekend) verschenen in ‘Oirschots Heem 2020-12-31.
In het belang van een waterweg voor de textielindustrie is door de gemeente Tilburg het initiatief genomen en besloot in de gemeenteraad van 24 maart 1873 een bedrag van fl. 160.000,– beschikbaar te stellen voor het maken, beheren en het onderhouden van een scheepvaartkanaal van Erp naar Tilburg. Naar aanleiding hiervan roepen Gedeputeerde staten een overlegvergadering bijeen op 15 mei 1873 om 10.00 uur voor de belanghebbende gemeenten en de gemeenten Goirle en Hilvarenbeek. Oirschot (meubelindustrie) doet een voorstel fl. 20.000,– bij te dragen mits Tilburg fl. 200.00 geeft.
Om uit de financiële impasse te komen wordt het besluit genomen dat de gemeenten Tilburg, St. Oedenrode, Best, Oorschot, Hilvarenbeek, Goirle, Moergestel, Oisterwijk, Erp, Lieshout, Oostelbeers c.a., Liempde, Boxtel en Son machtiging te verlenen om onderling in overleg te treden. Op de eerste vergadering op 30 mei in Middelbeers komt men echter niet tot overeenstemming.
De burgemeester van St. Oedenrode neemt persoonlijk met diverse gemeenten contact op om het belang van de nieuwe waterweg te benadrukken.
Samen met de burgemeesters van Oirschot en Hilvarenbeek vormt hij een commissie om in overleg te treden met betrekking tot een bijdrage. Het gewenste financiële resultaat blijft uit.
Diverse vergaderingen hebben ‘over het kanaal’ plaats gehad, maar het wil maar niet lukken.

In de vergadering van maart 1900 ondertekent de raad van de gemeente Oirschot de door de provincie voorgelegde en voorgedrukte besluit dat de gemeente een bedrag van fl. 20.000,– beschikbaar zal stellen en de grond kosteloos zal afstaan.
De raad voegt er wel een aparte brief bij dat drie bruggen worden aangelegd: 1 In de Heersdijk (Mie Koe) 2 In de Eindhovense dijk (bij het Standaardplein, later de hoge brug genaamd) en 3 In de provinciale weg naar de gemeente O-W en Middelbeers..
In het najaar van 1903 kan de schetskaart van de ligging van het kanaal door provinciale staten worden goedgekeurd..
Dan blijkt de eerdere begroting niet haalbaar en de provincie verhoogt in februari 1904 haar bijdrage tot 2 ½ miljoen gulden en de gemeentelijke bijdragen blijven gelijk.

De commissaris van de Koningin zendt in oktober 1907 aan de gemeenten met betrekking tot de te voeren eigendomsprocedures en in oktober 1909 worden de hoorzittingen gehouden. Voor deze hoorzittingen is speciaal een samengestelde commissie in het leven geroepen. Er werden zes bezwaarschriften ingediend.
Uit het advies, dat de commissie 4 dagen later uitbrengt, is op te maken wat de bezwaren inhielden.
Voor de gemeente Oirschot zijn de in 1900 aangevraagde bruggen gepland

Het kanaal heeft een lengte van 39800 meter, bodembreedte van 6 meter, een waterspiegel breedte van 11.80 meter en een diepte van 1.65. Om de 2 kilometer komt er een wijk- en wisselplaats ( in Oirschot bekend als zwaaikom) van 100 meter lang, een bodembreedte van 15 meter en een waterspiegelbreedte van 20,80 meter. Een van deze plaatsen krijgt een waterspiegelbreedte van 50 meter om het wenden van schepen mogelijk te maken.

Bruggen
Voor de gemeente Oirschot zijn in 1900 drie bruggen gepland:
1 (Heersdijk) Mie Koek brug,
met een breedte tussen de leuningen van ruim 3.50 meter
2 Eindhovense dijk, (Standaardlein)
brug met een breedte tussen de leuningen van ruim 3.50 meter
3 Ophaalbrug in de provinciale weg naar Oosterbeers
met een breedte tussen de leuningen van het vaste gedeelte van 5 meter, van het beweegbare deel 3.50 meter.

Laad- en los plaats
De gemeente wil een lig- en losplaats bij de Koestraat , dat in augustus 1917 door Rijkswaterstaat wordt afgeraden, omdat daar slechts een lengte van 100 meter mogelijk is en adviseert een locatie ten westen van de provinciale weg naar Oosterbeers, omdat ter hoogte van de Koestraat wel 200 meter kade kan worden aangelegd. In verband met de financiële situatie wordt voor de eerste situatie gekozen.
Op 17 september 1921 verleent de minister de vergunning voor de aanleg van de los- en laadplaats.
Zij nog vermeld dat de aannemer verplicht wordt de georganiseerde arbeiders van de gemeente Oirschot, indien zij bruikbaar zijn, de voorkeur te geven om bij de uitvoering van het werk in dienst te nemen. Een verzoek hiertoe was ingediend door de Ned. Roomsch-Katholieke Bouwvakarbeidersbond “St. Joseph, afdeling Oirschot, om de druk van de werkeloosheid voor een tijds te verlichten.

Pakhuis met weegbrug en losinrichting
Het bestuur van de Boerenbond verzocht in 1922 om een pakhuis met weegbrug te mogen bouwen tussen de laad- en lospplaats in de provinciale weg, vanaf perceel Brekelmans over een breedte van 28 meter. (Tegenover de hoofdingang klooster zusters, Franciscanessen)
In februari 1923 besluit de gemeenteraad de grond te verkopen voor fl. 798,–. Ter onderbouwing In het raadsvoorstel schrijven B&W dat de opslag van granen, meststoffen enz. een gemeentebelang van betekenis is, omdat Oirschot voor meer dan de helft uit landbouwers bestaat.
In 1923 heeft de boerenbond dringend een losinrichting nodig en vraagt vergunning aan voor plaatsing van een door elektriciteit aangedreven loopkraan aan te leggen en de daartoe benodigde rails. De vergunning wordt verleend aan ‘den Heuvel’ t.o. het boerenbonds gebouw.

Het kanaal is open
In 1923 verleent vergunning aan Erven & Co en Teurlincx Meijers voor vervoeren van hout door het Wilhelminakanaal. Het eerste schip dat de Oirschotse haven aandeed was geladen met bomen voor Teurlincx Meijers.
In maart 1923 wordt aan de gemeenteraad meegedeeld dat de loswal officieel in gebruik zal worden genomen de oplevering heeft plaatsgevonden. Er zijn dan al wel enkele schepen gelost.

184
184

Meubelindustrie en symbool “De Grote Stoel”
Halfweg de negentiende eeuw trokken veel ambachtslieden naar Amerika. Zij dachten daar een beter bestaan te kunnen opbouwen, zowel sociaal als economisch. Het was de tijd van de industriële revolutie, waarin veel ambachtelijk werk verdween en de machines veel taken van de mens overnamen. Ook sociaal gezien was het voor velen een moeilijke tijd. Toch bloeide er in die tijd een zekere industrie op vanwege het voorhanden hebben van veel handwerklieden rond Oirschot.

Een reden waarom juist hier in de loop van de negentiende eeuw meubelfabrieken ontstonden was dat er op het platteland voldoende grondstoffen voorhanden waren en vooral omdat er veel arbeidskrachten beschikbaar waren voor het vele handwerk waarmee zij al vertrouwd waren of waarmee zij vanuit andere handwerkactiviteiten snel vertrouwd konden raken.
De lonen waren er overigens lager dan in de grote steden.

Amerikaanse stoel
Vooraf aan het ontstaan van die bloeiende meubelindustrie trokken, vanuit de ongunstige sociale en economische situatie voor ambachtslieden, in 1848 ook Cornelius Jacobus Teurlincx en Willem Meijers naar het verre Amerika. Tien jaar later kwamen ze weer terug naar Nederland met allerlei ideeën op meubelgebied. Zij streken neer in Oirschot en ontwikkelden daar een zogenaamde Amerikaanse stoel. De stoel was enigszins vergelijkbaar met de Brabantse knopstoel.

Een belangrijk verschil was dat de zitting niet van gevlochten materiaal was gemaakt maar uit hout bestond. Een ander verschil was dat de leuning van de Amerikaanse stoel iets achterover helde waardoor een prettiger zithouding werd verkregen.
Ook een duidelijk zichtbaar verschil was dat de stijlen van de rug bij het Amerikaanse model niet ononderbroken doorliepen naar de achterpoten. De poten en de rugleuning waren als afzonderlijke delen aan de houten zitting aangebracht.

Als symbool van de succesvolle meubelindustrie en als eerbewijs aan het vakmanschap van de ambachtslieden werd door de firma Meeuwis in 1958 een kolossale stoel gemaakt die nog steeds een toeristische trekpleister van Oirschot vormt

195
195

Een foto van de kapel van Heilige Eik uit het prille begin van de 20e eeuw. Het verhaal van deze kapel is bijzonder. In veel voorchristelijke religies namen grote, heilige bomen een belangrijke plaats in. En vaak behielden deze bomen en hun omgeving ook in de Christelijke tijd hun vereringsfunctie. Waarschijnlijk is dit ook het geval met de plek waar nu deze kapel staat.

Petrus Vladeraccus, bij wiens 400e sterfdag onlangs werd stilgestaan in een symposium, beschreef de mystieke gebeurtenis die aan de Mariaverering ten grondslag ligt. Op het zand in het riviertje de Beerze werd op 24 juni 1406, de patroondag van Sint-Jan de Doper, een Mariabeeldje met kind gevonden. Het werd in een eik geplaatst en al spoedig daarna door boeren en herders uit de buurt vereerd. Omdat de kerkelijke bestuurders vonden dan het beeld in een kerk thuishoorde, bracht men het beeldje een paar keer naar de kerk van Oostelbeers of Middelbeers, maar het stond daags daarna weer op onverklaarbare wijze in de eik. Toen heeft men daar een kapel gebouwd, eerst van hout, later van steen.

Op last van de Staten-Generaal moest de kapel in 1649 gesloopt worden en de eik gekapt. De devotie bleef echter en er werd regelmatig een noodkapel gebouwd van plaggen en stro. In 1854, toen het Katholicisme weer openlijk beleden mocht worden, herrees op de oude fundamenten een nieuwe stenen kapel, die in 1906 uitgebreid werd tot haar huidige omvang. De foto is echter van vlak vóór de uitbreiding. Die uitbreiding (zie foto 196) werd gerealiseerd met zuilen afkomstig van het oksaal van de Sint-Petruskerk, waarvan het zuidwestelijke deel van de toren in 1904 was ingestort. Het aanzien van de kapel is op de foto dus heel anders dan nu het geval is.

Aanvulling van Sjef Smetsers

De kapel van de Heilige Eik is een bekend bedevaartsoord gelegen in het dal van de Beerse ten noorden van het landgoed Baest.
De legende van deze kapel is in 1610 opgetekend door Petrus Vladeraccus een toenmalig katholiek geloofsijveraar.
In het begin van de 15e eeuw zouden een paar herders een Mariabeeldje op de Beerse gevonden hebben, dit in een eik plaatste en in aanbieding neervielen. Bewoners van Middelbeers namen het beeldje mee en plaatste het in de kerk, maar de volgende morgen was het beeldje weer op de oorspronkelijke plaats aanwezig.
Naar een andere variant van de legende dreef het beeldje stroomopwaarts in de Beerse en werd het tot tweemaal toe door Beersenaren ontvreemd.
De vonds van het beeldje werd op 24 juni 1406 gdateerd, wat de feestdag is van Johannes de Doper. Het beeldje zou in de Mariakerk zijn geplaatst en in 1463 werd daar de Onze-Lieve-vrouwenbroederschap opgericht.

Jaarlijks werd nu een bedevaart georganiseerd waaraan ook een priester en een acoliet deelnamen die in een boerenkar erheen werden gereden. Deze namen het miraculeuze beeldje met zich mee naar de Heilige Eik. Er volgde dan een Mis die door velen werd bijgewoond. Na enige tijd heeft men ter plaatse een houten kapelletje neergezet, dat echter in de beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog werd verwoest. Het beeldje werd echter in veiligheid gebracht, eerst in de Sint Petruskerk te Oirschot en later in ’s Hertogenbosch. De mensen bleven de plaats bezoeken. Er werd een bakstenengebouwdje opgetrokken dat echter te klein was voor een altaar en ook de grote toeloop niet aankon. Daarna schonk de Kanunik Johannes Daems van Nuenen, nadat hij op wonderbaarlijke wijze genezen was, geld waarvan in 1606 een groter gebouwtje werd neer gezet.
In 1854 werd de huidige kapel gebouwd op de fundamenten van de oude. Deze kenmerkte kapel heeft een trapgeveltje en een 15-eeuwse arcade met vier zuiltjes, die afkomstig zijn van de Oirschotse Sint-Petruskerk. Daar ondersteunden ze de orgeltribune, tot de toren in 1904 gedeeltelijk instortte. In 1907 is de voorgevel met deze pilaren toegevoegd. (zie plaatje 58)

In de kapel bevindt zich een barok altaar. (plaatje 197) Dit heeft een reliëf dat de heilige eik en de vinder van het beeldje voorstelt en een God-de-Vader figuur. Dit alles is uit 1746 en vervaardigd door Walter Pompe voor de voormalige schuurkerk. Het beeldje is een kopie van het echte beeld dat zich als Troosteres der Bedroefden in de Sint Petrusbasiliek bevindt. De kapel van de Heilige Eik meer bezoekers dan het originele beeld.(zie plaatje 198)
De kapel is tevens gedachteniskapel voor de gevallenen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daartoe zijn in 1983 enkele glas-in-loodramen aangebracht van Jacques Slegers. Ook de brand van de kerk van Oirschot wordt hier gememoreerd.
(Zie ook ‘Verhalen in glas in lood in Oirschot, Deel 4 pag.41 e.v.)
Er is om kapel heen een bescheiden processiepark aangelegd, met daarin een piëta uit 1911 van Jan Custers. Tevens is een klein kapelletje aanwezig ter ere van de heilige Antonius van Padua. (Daar moet je zijn als je iets kwijt bent)
Bij de kapel is ook een herdenkingsbos en strooiveld. De eerste boom is inmiddels geplant.
(Inlichtingen hierover Nieuwstraat 17- 0 499-57131

202
202

De Spoordonkse Watermolen met kopgevel en lange zuidgevel ca. 1970 aan de voorrangsweg, die toen nog over het molenbruggetje naar Moergestel liep. Op de voorgevel bevindt zich nog de reclame voor het verdwenen merk Wyers Oude Jenever. Het verschil in waterpeil ten zuiden en ten noorden van de Spoordonkse Watermolen bedraagt ca. 2 meter. Deze stenen molen uit 1868 is een onderslagmolen, de meest westelijke watermolen van heel Nederland en de enige nog bestaande watermolen op de Beerze. Andere watermolens op deze rivier trof men vroeger aan in Bladel, Casteren en Oostelbeers maar deze zijn alle praktisch verdwenen.
Deze molen werd in 1320 al vernoemd maar bestond vermoedelijk al langer. Ze behoorde bij het voormalige Huis Ten Bergh, dat ongeveer 100 meter zuidelijker lag, rechts van de nog bestaande Rentmeesterswoning. Tussen 1649 en 1772 kwam de molen geleidelijk aan los van de Heren van Oirschot. In 1844 werd de molen verpacht aan de familie van Esch en ze kwam in 1900 in hun bezit. Eerder, in 1868, werd de houten molen door het huidige stenen gebouw vervangen. Ze deed daarna dienst als oliemolen en korenmolen. In het midden van het gebouw bevindt zich nog de ruimte voor de raderen. Het linkerdeel was de oliemolen, het rechterdeel de korenmolen. Tegenwoordig wordt de voormalige oliemolen bewoond door het gezin van Emile van Esch, die de korenmolen met een rad heeft hersteld zodat er weer op waterkracht gemalen wordt.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Zie beschrijving bij plaatje 200.

210
210

De H. Bernadettekerk te Spoordonk werd ontworpen door architect A. Rats uit Blerick (L), op aanraden van bouwpastoor J. van Gestel, die een soortgelijke Romaanse Kerk in de stijl van Kropholler van zijn hand kende in Hout-Blerick en die hij landschappelijk zeer passend vond.
In september 1936 werd de H. Bernadettekerk ingezegend door Mgr. Diepen, nadat eerder in augustus 1935 was aangevangen met het uitgraven van duizenden karren moergrond en het inkarren van evenzoveel geel zand vanaf de Kattenberg door de RKJB. De bouw ervan werd gegund aan de gebroeders Geelen uit Neer (L), deze hadden de laagste inschrijving bij de aanbesteding.
Het kerkplein met de platanen en kastanjebomen werd ontworpen door Geenen uit Tilburg en door parochianen aangelegd. Willem de Kruijf had de algehele leiding hiervan.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Van 1870 heeft Spoordonk diverse verzoeken gedaan om een eigen parochie te krijgen. De spoordonkenaren moesten om hun kerkelijke plichten te vervullen naar de parochiekerk St. Petrus Banden vijf of zes kilometer verderop gelegen in het dorp.
Op 24 september 1934 benoemde Mgr. A.F. Diepen, kapelaan Johannes van Gestel, kapelaan van de parochie St. Petrus Banden, tot pastoor van de nieuwe parochie. Met ingang van 24 september zou de bestaande parochie in tweeën gesplitst worden. Maar waar hoort de Kapel van de H. Eik bij? Verschillende argumenten voor en tegen werden aangevoerd, maar uiteindelijk besliste Mgr. Diepen dat de kapel zou blijven behoren bij de bestaande parochie met als voornaamste argument dat het beeldje altijd in de kerk van Oirschot had gestaan.
Voor wat betreft de naamgeving kan gesteld worden dat vanaf de vroegste berichtgeving over de plannen van de oprichting van de kerk de naam al werd genoemd.
Wat verwonderlijk is, is dat vanaf 1935 veel Spoordonkse borelingen de naam Bernadet(te) kregen, hetzij als eerste of een van de volgende voornamen. (JSm)
Het blijft onduidelijk waarom bij de aanwijzing van de architect geen Oirschotse architect een kans had om in te schrijven. Het oorspronkelijk plan om een keuze te maken uit een viertal architecten is niet uitgevoerd. Er werd één architect aangewezen, noch wel een van buiten Oirschot, die de opdracht kreeg een ontwerp voor een kerk te maken. De keuze viel op architect Alphonsus J.M. Rats, geboren te Blerick (thans Venlo) op 18 december 1901.
Op 12 mei 1935 bood Pastoor Jan van Gestel de bouwtekeningen ter goedkeuring aan bij de bisschop. Deze bouwtekeningen had hij eerder besproken met rector H. van Helvoort, voorzitter van het secretariaat Kerkelijke Bouwcommissie.
Veertien dagen later schreef rector van Helvoort een brief aan de bisschop met de mededeling dat hij over de plannen nog eens grond had nagedacht. Hij had zich tijdens de bouwcommissie laten verleiden en had er spijt van dat de. ‘foei-leelijke en smakeloze bouwsels te hebben gedekt door zijn functie’.
De bisschop was kennelijk aan het twijfelen gebracht en schreef de dag later een brief naar Spoordonk, dat tot aanbesteding niet mocht worden overgegaan.
Uiteindelijk vond aanbesteding plaats op 15 juli 1935 in café de Kort. Elf aannemers schreven in voor de bouw van de kerk. De laagste inschrijving bedroeg f. 49.943,– voor kerk met hoge toren en f. 46.500,– voorkerk en lagere toren. De gunning vond plaats aan de gebroeders Geelen uit Neer (Limburg).
(Toelichting toren zie bij plaatje 212)
De uiteindelijke bouwkosten kwamen uit op een bedrag van f. 61.638,98. Het meerwerk bedroeg f. 825,87 en voor de kerkhof en tuinaanleg werden f. 400,– berekend.
De oorkonde werd door pastoor Jan van Gestel, architect Rats en deken/pastoor Th. de Vries van de St. Petrus Banden parochie en diverse genodigden getekend en in de hoofdsteen geborgen. De hoofdsteen is 11 november 1935 geplaatst.
Op maandag 28 september 1936 werd de kerk plechtig ingewijd.
(Uit ‘Het leven rond d’n torre’ 75 jaar H. Bernadettekerk pag. 6/ 34)

211
211

Eerste steenlegging H. Bernadettekerk op de 11e van de 11e in 1935.
Met de eigenlijke bouw werd begonnen op 31 augustus 1935. De eerste steen (kosten inclusief opschrift: ƒ 15,60, ongeveer €7,-) werd officieel gelegd op 11 november 1935. Eerst werd een kruis gewijd, dat een plaats kreeg op het punt waar het altaar in de kerk zou komen. Hierna werden de fundamenten gezegend en de steen waarin de oorkonde geborgen zat, die door alle genodigden was getekend. Vervolgens metselde pastoor Jan van Gestel de hoofdsteen dicht en daarna vast op de fundamenten.
Op de foto rechts van hem in witte gewaden staan zijn jongere heerbroers Carel en Driek van Gestel. Achter hem pastoor de Vries en links architect Alphons Rats. Op de achtergrond de genodigden en de nieuwe parochianen. Door deken van der Kamp, pastoor de Vries, burgemeester Ch. W.E.G. Janssens en vele anderen werd op de gedachtenissteen telkens nog een steen gemetseld. De ingemetselde eerste steen is nog steeds zichtbaar in de muur tussen de hoofdingang en pastorie.
In zijn toespraak bij die gelegenheid beloofde burgemeester Janssens weliswaar dat de gemeente de kosten van de verfraaiing rondom de kerk voor haar rekening zou nemen, maar wethouder Termeer trok hem meteen aan zijn jasje met de waarschuwing ‘dat hij te ver ging met beloften’, hetgeen dan ook later duidelijk zou blijken. Alleen het verzoek van het kerkbestuur om de waterloop achter het terrein van de kerk recht te laten maken, werd door de gemeente uitgevoerd en betaald. Het daarin aan te leggen schoor werd wel door de gemeente uitgevoerd, maar zij verhaalden de kosten op het kerkbestuur.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Pastoor van Gestel was toen nog kapelaan in Oirschot en bouwpastoor van de Spoordonkse H. Bernadettekerk. De Bisschop zou pas bij de opening in 1936 aanwezig zijn, zodat pastoor de Vries de plechtigheid zou leiden. De geestelijke met ‘bonnet’ is Pastoor de Vries van de St. Petrusparochie. De plechtigheid vond plaats voordat hij deken werd in het dekenaat Oirschot
Op 11 september 2020 is het 85 jaar geleden dat de eerste steen gelegd werd.
De oorkonde werd door pastoor Jan van Gestel, architect Rats en deken/pastoor Th. de Vries van de St. Petrus Banden parochie en diverse genodigden getekend en in de hoofdsteen geborgen. De hoofdsteen is 11 november 1935 geplaatst.
(Vergrootte foto in het Oirschots Weekjournaal van 3 juni 2020.)
(JSm)

212
212

De kerk is ontworpen door architect Alphonsus J.M Rats, en is gebouwd in de stijl van de Brabantse laat-gotiek, gecombineerd met elementen uit de school van architect A. Kropholler. (Het 75-jarig parochiejubileum op zondag 18-09-2011 werd bijgewoond door twee kinderen van Rats)
De bouw werd in 1935 gegund aan de gebroeders Geelen, die door de bouwpastoor Jan van Gestel zelfs gekwalificeerd werden als ‘solide aannemers en vertrouwde en harde werkers’. Op een kort oponthoud in de winter na, verliep de bouw zó voorspoedig dat de kerk al een jaar later klaar was. Volgens het loonschriftje waren er ook veel Spoordonkenaren in dienst. Destijds was dagelijks woon-werkverkeer over een langere afstand namelijk nog niet zo gebruikelijk en de aannemer uit Limburg moest zijn eigen werknemers dus onderbrengen in Spoordonk. Bij van Kuringen (Spoordonkseweg) waren tijdens de werkzaamheden vier bouwvakkers gehuisvest, die vanuit dit kosthuis hun boterhammen voor tussen de middag meekregen.
In mei 1936 kon de vlag op het hoogste punt van het dak van de kerk worden gezet en de 18 werklieden kregen bij die gelegenheid ieder f 1,50 fooi. De uiteindelijke bouwkosten voor kerk, inclusief toren en pastorie kwamen bij de afsluiting op 12 oktober 1936 uit op het precieze bedrag van f 61.638,98. het meerwerk bedroeg f 825,87 (net iets meer dan € 28.000).

Aanvulling Sjef Smetsers:

Nadat de plannen door pastoor Jan van Gestel waren aangeboden aan Mgr. Diepen kwam er nog een brief van rector van Helvoort, voorzitter van het secretariaat kerkelijke bouwcommissie, over het ‘foei leelijke plan’ – er werden in die brief ook opmerkingen gemaakt over de toren- (zie bij plaatje 210), waardoor de bisschop ging twijfelen en liet de pastoor weten dat niet tot aanbesteding mocht worden overgegaan. Eerst moest hij zekerheid krijgen dat de begroting in orde was. Hierop kwam een tweede plan, waar onder meer de zijbeuken versmald waren en ook over de toren gesproken werd.
De pastoor gaf met betrekking tot de toren als toelichting dat het onderste deel bestemd zou zijn voor sacristie en bijsacristie en de verdieping daarboven als voorlopig vergaderlokaal en konden daarom volgens hem niet vervallen. Bovendien vond hij dat er geen sprake was van twee torens, want boven de hoofdingang was ‘slechts een klokkenhuis voor het angelusklokje’.
Hij voerde verder aan dat hij de plannen voor de extra ruimte in de toren in de toekomst wilde gaan gebruiken als activiteiten in een patronaat. Als laatste argument voerde hij aan dat latere uitbreiding extra kosten zouden meebrengen.
(Uit ‘Het leven rond d’n torre’ 75 jaar H. Bernadettekerk pag. 20/21)

220
220

De (Grote) Beerze is ruim opgevat een beek die als Aa of Goorloop in het Riebos bij Lommel ontspringt, meerdere zijbeken in zich opneemt en zich uiteindelijk nabij Boxtel splitst in een oostelijke tak die uitmondt in de Dommel en een westelijke tak die uitmondt in de Esschestroom, die bij Halder ook in de Dommel uitkomt. Strikt genomen begint de Beerze bij het landgoed Baest, waar de Grote Beerze en de Kleine Beerze samenstromen.

Aanvulling Sjef Smetsers:

In het gebied Blekerheide in Lommel (België) ontspringt de Groote Beerze. Vandaar stroomt ze als Aa of Goor in noordelijke richting naar Stevensbergen in de gemeente Bergeijk (Nederland).
Door de Boswachterij de Kempen, waar ze nog eenmaal bij grenspaal 197 de Belgische grens raakt en stroomt dan langs Bladel. Bij Hapert stroomt het Dalemstroompje zich bij de beek, die voortaan Groote Beerze gaat heten.
Ten zuiden van Casteren komt het ‘Wagenbroeks Loopje’ in de beek uit, die vervolgens omgeven wordt door het natuurgebied ‘Dal van de Groote Beerze’. Hierna stroomt de beek langs de Neterselse heide en de Landschotse heide in de gemeente Oirschot via de Aardbossen.
Ten noorden van Westelbeers begint een omleidingskanaal, terwil de oorspronkelijke loop zich voor het eerst meanderend voortzet langs Middelbeers. Waar het beekje het Landgoed Baest binnenstroomt wordt het omleidingskanaal gekruist. De Groote Beerze stroomt langs het landhuis om een paar honderd meter ten noorden daarvan samen te komen met de Kleine Beerze, waarna de stroom zich als Beerze voortzet.
(WikipediA Groote Beerze 26-9-2021)

223
223

Een aantal jaren geleden zijn door Kees van Laarhoven de letters “Schoonoord” teruggeplaatst op de villa aan de Bestseweg. Daar is de heemkundekring -die veel waarde hecht aan de namen van panden, straten en wijken- erg blij mee. Nogal wat mensen die de letters hebben bewonderd, hebben opgemerkt dat er tussen “Schoon” en “oord” een soort van spatie zit. Dat is geen foutje dat erin geslopen is bij het terugbrengen van de letters: architect Toon Bullens, die dit proces begeleid heeft, heeft de oorspronkelijke maatvoering nauwkeurig gekopieerd. Deze foto bewijst dat er ook in de originele benaming een soort van spatie bestond tussen schoon en oord.
Overigens is de geschiedenis van dit pand een zeer interessante. Een docent van de Franse kostschool in de Molenstraat, die in de 19e eeuw lesgaf aan dit instituut, ligt begraven in de tuin van het Mariakerkje aan het Vrijthof. Op zijn grafsteen staat te lezen dat hij op Schoonoord is overleden “… om in een schoner oord te ontwaken”.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Onder dit plaatje wordt ‘Schoonoord’ besproken. Zie ook tekst bij plaatjes 122 en 224.
De monumentale buitenplaats ‘Schoonoord’ ontstaat in het begin van de 19e eeuw en herbergde ooit een kostschool. Willem van Haarts, vermoedelijk schoonvader van Johannes Söhngen, stierf in1883 op Schoonoord en werd begraven bij het Boterkerkje op het Vrijthof. Hij ligt er nog steeds begraven. ‘ ‘hij sliep in Schoonoord in om in een schoner oord te ontwaken’.
Na de oorlog werd het pand gekocht van mevrouw van Aefferden van der Does de Willebois door mevrouw Termeer – van Heijningen, gehuwd met Frans Termeer (leerlooier).
Het statige pand met Engelse tuin was voor het laatst in gebruik als hoofdkwartier van bouwbedrijf ‘Vannel’ dat later haar zetel verplaatste naar Eindhoven.
Na enkele jaren van leegstand krijgt het pand een andere bestemming. Directeur Henk Berendsen en zijn 21 medewerkers van ‘Advies- en trainingsbureau Berendsen en Partners’ zijn de nieuwe bewoners.
Berendsen startte zijn bedrijf in 1995 in Geldrop. Via Eindhoven, Waalre kwam hij in 2007 in Veldhoven, waar hij opnieuw uit zijn jasje is gegroeid. In Oirschot hoopt hij lange tijd voldoende armslag te hebben.
Na de oorlog werd het koetshuis verkocht aan Sjef van de Ven. Zie hiervoor tekst bij plaatje 122.
(https//www.ed.nl/overig/schoonoord/JSm)

225
225

Zoals in die tijd gebruikelijk was, en ook nog vele eeuwen daarna, was het een standaardmolen. Een standaardmolen is een houten windmolen, waarvan het hele molenhuis op de wind gezet wordt. Het molenhuis met wieken en binnenwerk rust bij dit type molens op een horizontale constructie, die bevestigd is op een verticale staander (de standaard) en op het uiterste punt van deze standaard draaibaar is en daardoor op de wind gezet kan worden.
Lees verder bij 226

Aanvulling Sjef Smetsers:

De oude Stratense molen stond vanaf 1354 in de buurt van de ‘Mie Koekse brug (Mie Koek heette Mie van Helmond, Koek was de bijnaam ) en was dus gelegen ten zuiden van het kanaal in de Kriekampen.
De Stratense molen wordt 1852 afgebroken en er is geen nieuwe voor in de plaats gekomen vanwege het graven van het Wilhelminakanaal.
Joseph van Esch, die in 1844 de Spoordonkse watermolen gehuurd had, had een vooruitziende blik. De windmolens waren verouderd en hadden een beperkte capaciteit. Hij zag een goede kostwinning in de bouw van nieuwe moderne molens.
Als eerste laat hij in de Notelse akkers een stenen stellingmolen bouwen.
Verder laat hij aan de weg naar Best de Stratense (standaard) molen bouwen die al in 1859 in bedrijf komt en in 1885 door verkoop door de erven uit de familie verdwijnt.
Hoewel rond 1930 hier en daar al molens tot stilstand komen wordt deze molen in 1934 nog opgeknapt en van stroomlijnprofielen op de reden voorzien, zodat de molen beter kan profiteren van de wind.
In 1939 wordt er nog een pakhuis bijgebouwd.Ondanks de gestroomlijnde wieken wordt er nog maar weinig met de molen gemalen. De molen raakt in verval en in 1952 gesloopt. Hiermede zijn de karakteristieken standaardmolens voorgoed uit Oirschot verdwenen.

Laatste generaties.
Frans van Kessel, de vroegere molenaarsknecht van de familie van Esch koopt in 1908 de molen. Twee jaar later komt zijn oomzegger Thomas van Kessel bij hem in dienst. Hij is de zoon van zijn broer Henricus uit St Oedenrode en neemt de molen van zijn oom in 1925 over.

227
227

Onze gewiekte trots: stellingkorenmolen “De Korenaar”. In formele termen spreken we van een bovenkruier met een toog en een stellinghoogte van 7 meter; met een houten kap, een kruibok, staartwerk, een verbeterd Van Bussel wieksysteem en een gevlucht van 27 meter. Molenaar zijn is geen beroep maar een ambacht, met zijn geheel eigen jargon.
Voor de meeste Oirschottenaren is zijn deze termen abracadabra maar is onze enige overgebleven windmolen bijna net zo kenmerkend aan de horizon als de toren van de kerk. Een molen is op z’n mooist als de wieken draaien en er gemalen wordt. Dan wordt zo’n gebouw bijna een levend wezen.
“De Korenaar” is gebouwd in 1857. Na vele generaties Van Esch is de molen in de jaren ‘50 overgegaan in handen van de familie Verbruggen.

Aanvulling Sjef Smetsers:

Joseph van Esch huurt de watermolen in Spoordonk in 1844 en laat de Notelse molen bouwen die in 1911 uit de familie door vererving verdwijnt.. Hij bouwt ook de Stratense molen die in 1859 in bedrijf gaat. zie (plaatje 225)
De prachtige Stellingmolen kreeg na een grondige restauratie in 1957 zijn huidige naam ´De Korenaar’.
In de Korenaar lees ik: dat de molen in 1857 gebouwd is voor rekening van J. van Esch-Merks. Hij had de molen in bedrijf tot 1878.
Als erven kwamen daarna tot 1905 G. van Esch-Horrevoets en Frans van Heijst-van Esch, na hen waren eigenaars Martinus van Heijst-Geboes en J. van Heijst tot 1953. Vanaf 1935 werd de molen gepacht door M. Verbruggen. ( Hij kwam uit St. Hubert, gemeente Mill, buren van mijn oom en tante Rijken (postkantoor). Als kind ben ik er dikwijls geweest (JSm).
In 1953 werd hij eigenaar. Hij zette het maalbedrijf (meestal op motorkracht) tot 1990 in xde molen voort.

Hierover belt maikel nog. Hij heeft gegevens Waarschijnlijk 1 of 2 oktober. Ik heb hem gebeld 29-9

229
229

Unieke luchtfoto vanuit het noordwesten genomen, ca 1950. Het is een rentmeesterswoning met uitgebreid woongedeelte en een bewerkt strooien dak, dat toebehoorde aan de familie van Esch aan Ten Bergh in Spoordonk, met links de molenvoorslag nog vóór de kanalisering van rivier de Beerze, die plaatsvond eind jaren zestig van de vorige eeuw.

Duidelijk zijn de verschillende bijgebouwen te herkennen waarvan het bakhuisje en de grote schuur nog bewaard zijn gebleven, evenals de rentmeesterswoning zelf, dat tevens poortgebouw is voor Ten Bergh.

Ten Bergh was een kasteel dat zich rond ca 1350 bevond in het dal van de Beerze, één van de twee buitenplaatsen van de Heren van Oirschot: het andere was “Oud Beijsterveld” in buurtschap Notel. Omtrent de ontstaansgeschiedenis van dit ‘Huis’ is niet veel bekend, het zou oorspronkelijk een motteburcht zijn geweest die later werd uitgebreid. Het kasteel maakte deel uit van een complex waartoe ook de Spoordonkse watermolen, de rentmeesterswoning en diverse landerijen behoorden.

Men vermoedt dat het geheel in de 14e eeuw is gebouwd, maar uitsluitsel kan daar nog niet over gegeven worden. De heren en vrouwen van Oirschot hebben tot ca 1672 op Ten Bergh gewoond. In 1772 werd het verkocht, waarna het kasteel werd gesloopt, maar de rentmeesterswoning, die ook de functie van neerhuis van het kasteel had, bleef gespaard. Het neerhuis werd door water van de Beerze omgeven.

Later werd de familie van Esch, tevens eigenaar van de Spoordonkse Water molen, eigenaar van dit prachtige poortgebouw dat door velen nog steeds en abusievelijk ‘Huize Ten Bergh’ genoemd wordt.

276
276

Aanvulling van Sjef Smetsers

Zie tekst bij plaatje 38. Noud van Haaren en Kees Smetsers waren in Oirschot en omstreken bekende conferenciers op bruiloften en partijen

Tijdens mijn werkzaamheden kwam ik in gesprek met de heer Stijn Nuyens, die mij een dik schrift overhandigde met de notulen vanaf 8 september 1919 tot en met 16 april 1942

Op 8 september 1919 komen de volgende personen bijeen om te komen tot de oprichting der R.K. Vereeniging van Fabrikanten van Oirschotsche stoelen.
J. Beliën, J. Nuijens, A. Schilte, P,. van Leuven, A. van Zelst, J. van Haaren en J. Erven.
Met algemeene stemmen wordt besloten de ontwerp statuten

In deze vergadering werd besloten tot vaststelling van de Statuten
Hierna (17 september 1919) komt aan de orde de prijsverhoging van fabrikaten. De prijzen worden voorgeschreven als volgt: (De eerste prijzenlijst heb ik niet kunnen bemachtigen.)

De drie- en vier spindel f 3,60
De platte en lage leunstoel “ 7,75
De ronde armstoel “ 8,–
De hooge leunstoel “ 11.50
De Rockchaire “ 15,–
De stoel met de gebogen kap “ 4,50
Het gewone tabouretje (50 cm.) “ 3,–
De hooge kantoorstoel “ 6,–
De salonstoel 1e soort “ 5,25
De salonstoel 2e soort “ 4,75
Het schommelpaardje 1e soort “ 4,40
Het schommelpaardje 2e soort “ 4,20
De lage ronde kinderstoel “ 3,–
De lage boerenkinderstoel “ 4,–
De hooge kinderstoel met speelplankje “ 4,50
De hooge kinderstoel zonder speelplankje “ 4,–
De Mechelsche stoel alleen met geperf.kap “ 4,95
De Mechelsche stoel met geperf kap en middenschei “ 5,00
De Mechelsche stoel met twee scheien “ 4,40
De kruistafel in maat 60 x 85 “ 12,50
De gewone cafétafel “ 11,–
De cafétafel met bierkastjes “ 14,–
De ronde tafel met band “ 17,–
De ronde tafel met voerkant onderstel “ 14.—
Tafels met laden komen f. 1,– hooger
Deze prijzen worden alleen genoteerd voor tafels in zacht hout
De lofstoel (plaatje 227- rechts boven) “ 65,–
De beste kerkstoel “ 25,–
De gewone kerkstoel met boekenplankje “ 18,–
De kerkstoel met boekenkastje “ 20,–

Op al deze prijzen mag 10% korting worden toegestaan aan winkeliers en andere tusschenpersonen.
De prijzen in de vorige vergadering van Mechelsen stoel worden veranderd:
Met 2 scheien f. 4,75 (4,40), met een schei f. 5,00 (f.5,10) en meerprijs voor gelakte stoelen 10% .
Vervoerskosten voor ongeschilderd te verzenden meubelen mogen verlaagd worden met 10 ct., armstoelen 25 ct en tafels 50 ct. per stuk.
De korting van verkoop is in de vorige vergadering vastgesteld voor winkeliers en tussenpersonen van 10%. Nu een aanvulling voor architecten, aannemers en opzichters een korting van 5% door wie leveringen tot stand komen. Alleen winkeliers kunnen een korting van 10% blijven genieten.
Verder:

Levering van meubelen zal geschieden franco station Best, verdere spoorkosten komen voor rekening van afnemer. Komt men overeen de meubelen zelf te verzorgen, dan moeten die kosten in rekening gebracht worden die bij spoorvervoer zouden moeten worden betaald.
Bij zendingen per voerman naar Tilburg, Eindhoven en den Bosch zijn die kosten voor rekening van de afnemer.

De betalingsconditie wordt gesteld op dertig dagen netto.

300
300

In de eerste jaren na de oorlog werd er in Oirschot nog geen ‘carnaval’ gevierd. Vanaf 1954 gingen enkele verenigingen bals organiseren. In dat jaar werd ook voor het eerst in de berichtgeving over de activiteiten het woord ‘Vastenavond’ vervangen door “carnaval”.

Aanvulling van Sjef Smetsers

In 1965 of in 1966 vonden enkele vrienden in Oirschot dat het tijd werd om een carnavalsvereniging op te richten. Zij vroegen Sip Soethout (zie ook plaatje 9) of hij bereid was om in jacquet met enkele jongeren samen te komen voor de oprichting van een carnavalsvereniging.
Sip was hiertoe bereid en de vriendenclub ging zich klaarmaken voor de aftrap. Iedereen werd verzocht ‘in zwart pak’ te komen.
Sip heeft op waardige wijze Henk van Overbeek toegesproken en de steek opgezet. Als naam werd voor de ‘De houtwurmen’ gekozen.
Het feest in ‘de Zwaan’ kon beginnen. Op plaatje 300 zien we Hein van Overbeek met steek de aanwezigen installeren met een stoeltje, Freek van Kollenburg (Piet zn), Toon v.d. Boomen en Hans Vogels.
Enkele namen van aanwezigen: Ruud van Haaren, .. van Laarhoven, Jan Schreppers, Jan Evers, Pieter van Kollenburg (ja die), Cor van Leuven, Hans van Nistelrooij, .. Verbeek, Gerard Scheepens en anderen.
Er bestond dus nog geen carnavalsclub. Na deze bijeenkomst heeft Hans Vogels het voortouw genomen en met anderen de eerste carnavalsvereniging ‘De Houtwurmen’ opgericht. Of toen ook het muziekorkest ‘De stoelenmatters’ al in beeld waren heb ik niet kunnen achterhalen, maar het orkest hoorde er echt bij. ??
Later zijn er nog pogingen gedaan om het carnaval weer op te starten

331
331

Cornelis van de Ven werd geboren te Oirschot op 16 juni 1865, als derde kind van Petrus van de Ven en Joanna Maria Roche. Op 10 augustus 1904 benoemde Paus Pius X hem tot Bisschop van Natchitoches. Dit bisdom omvatte het noordelijk deel van de staat Louisiana. Op 31 mei 1915 vierde Mgr. van de Ven in zijn standplaats zijn Zilveren Priesterfeest. (Dat was tijdens de eerste wereldoorlog.) In 1929 vierde hij zijn 25-jarig Bisschopsjubilé, eerst in augustus in Oirschot, en in december na terugkeer in zijn bisdom, in Alexandria, beide keren op luisterrijke wijze. Zie ook plaatje 307.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Voor gegevens over deze Oirschotse priester heb ik een en ander onderzocht maar kwam steeds uit bij de gegevens die vermeld zijn in het boek ‘Oog op Oirschot’ (pagina 365/366) Hieruit een samenvatting.
Op 16 juni 1865 werd Cornelis van de Ven in Oirschot geboren als zoon van Peter van de Ven (Oirschot, 26 mei 1828) en Johanna Maria Roche (Best 24 februari 1831).
Hij was een goede leerling en nadat hij vanaf september 1878 een jaar zijn studie gevolgd had op het internaat ‘Ruwenberg’ in St, Michielsgestel, ging hij naar het klein seminarie in diezelfde plaats. Hij slaagde als ‘primus’ (de beste van de klas) en mocht bij de prijsuitreiking de Latijnse rede houden. Hij werd priester gewijd door Mgr, A. Godschalk in de Kathedraal van de St. Jan in ‘s-Hertogenbosch.
Tijdens zijn theologische studie kwam hij op het idee om na zijn priesterwijding naar de Verenigde Staten te vertrekken, om daar als missionaris te gaan werken. Hier waren toen al wereld- en ordegeestelijken uit Nederland werkzaam. Er waren hier, in 1890, namelijk meer priesters dan nodig waren.
Om priesters te werven kwamen Nederlandse bisschoppen uit Amerika tijdens hun vakantie bijeen op het Groot seminarie om over de priesternood te spreken, zo ook pastoor C.J. Roche, oom van moederszijde. Hij was werkzaam in het bisdom Detroit, die in 1870 al naar Amerika was vertrokken.
Op 24 oktober 1890 vertrok Cornelis van de Ven vanuit Antwerpen naar New York.
Op 10 december 1890 werd Cornelis van de Ven al aangesteld als kapelaan in New Iberia. Hij heeft in verschillende parochies gewerkt als kapelaan of pastoor waarna hij op 10 augustus 1904 door Paus Pius X tot bisschop van Natchitoches werd gewijd. De bisschops-consecratie vond plaats op 30 november 1904 door Mgr. Chapel.
Op 31 mei 1915 vierde Mgr. Van de Ven in zijn standplaats zijn zilveren priesterfeest
In 1929 vierde hij zijn zilveren Bisschopsjubileum in augustus in Oirschot en in december in zijn bisdom in Alexandria. Door zijn grote verdiensten werd hij door Paus Pius XI de eretitel verleend van Assistent-Bisschop bij de Pauselijke Troon ofwel Romeins Graaf.
In april 1932 werd hij opgenomen in het ziekenhuis van Shreveport waar hij op 8 mei d.a.v. aan maagkanker overleed.

332
332

Jan Kruysen (schilder, pure autodidact) was een typisch heerschap. Gekleed met een grote zwierige hoed, wambuis, kuitbroek en schoenen met gespen en een wijde cape, behoorde Jan Kruysen met zijn markante kop, met snor en puntbaardje, gedurende vele jaren bij het dorpsbeeld van Oirschot.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Hij werd geboren op 9 oktober 1874 in Liempde bij Boxtel als zoon van een spoorwegarbeider en was niet voorbestemd om schilder te worden. Op jeugdige leeftijd begon hij al met het tekenen van poppetjes en figuren en het maken van gedichten.
De Brabantse kunstschilder (1874-1938) was gehuwd met Barbara van Dijk (1878-1915).
Na zijn diensttijd was hij blij dat hij naar huis kon, maar hij schrijft dat hij feitelijk geen huis had. Vroegtijdig had hij zijn moeder verloren en nu was zijn vader hertrouwd met, zoals hij schrijft: ‘eene gierige boerin. Zij zag liever werken dan eten’. ‘Zijn tweede moeder had al kinderen, die reeds groot genoeg waren om zelf de boerderij te bewerken, zodat hij er best gemist kon worden’.
Hij is er toch naar toe gegaan maar was niet welkom. Hij is niet lang in dit gezin gebleven en vertrok naar een tante die heel goed voor hem was. Na nog een tijd in een fabriek gewerkt te hebben klopte hij op een goede dag aan bij de “Peinture Bogaerts” in Boxtel, om daar schilder te worden. Na een jaar ging hij daar weg, omdat het werk hem niet beviel en begon voor zichzelf. Een ongenadig armoedig leven. Intussen was hij getrouwd en had al enige kinderen Hij bleef schilderen hoewel hij niets verkocht. Het gezin was arm en zodoende was het huishouden niet al te weelderig ingericht, maar ze waren toch wel zeer gelukkig.
Hij schrijft: “Ik was gelukkig, omdat ik een heilig vrouwke had, dat bij al haar gebrek en grote zorgen nog de liefde had voor haar kinderen en de moed om mij aan te sporen toch maar te schilderen, omdat ik het zo graag deed.” Op het eind van de negentiger jaren van de negentiende eeuw was hij erg gekant tegen het rooms katholieke geloof. Later kwam hij in contact met de paters van de H.H. Harten in Tilburg en verzoent hij zich weer met de kerk. Dit besluit is van grote invloed geweest op heel zijn verdere leven. Waarschijnlijk is dit de reden dat hij zich met zijn vrouw en twee kinderen in Tilburg gevestigd heeft. Hij liet zich inschrijven als landschapsschilder en leefde in grote armoede.
Hij schrijft: “Het was niet verwonderlijk dat ik steeds achterstallige huur had en op 1 mei 1911 werd ik met vrouw en acht kinderen op straat werd gezet aan de Boschdijk in Eindhoven”.
Niemand bekommerde zich om het gezin. Toen het donker werd kreeg hij hulp van enkele niet goed bekend staande mensen uit de Polder, een onder Woensel behorende verachtelijke buurt. Hij schrijft verder dat deze mensen medelijden hadden en al gauw een goede verblijfplaats voor ons allen wisten. Met een kleine handwagen werd de armoedige huisraad, met nog een paar kleine kinderen er op, naar een oude toren in Woensel gebracht. Deze toren, thans bekend als de ‘Oude Toren’, had vaak dienst gedaan voor opsluiting van bandieten. Een behoorlijke vloer was er niet en het onkruid stond bijna een meter hoog. Vanaf 1911 tot 1915 woonde hij in deze laat-middeleeuwse ‘oude toren’ in Woensel Ook hier werd hij wegens huurschuld weer op straat gezet. In 1914 sterft zijn vrouw die hem 16 kinderen schonk. Zelf schrijft hij hierover: “In april 1915 stierven mijn heilig vrouwke en ook twee mijner lieve kinderen, Franciscus negen jaar oud en kleine Jan, zes jaar oud. Zeer hard trof mij dien slag en nog meer, toen mijnheer Pastoor te Woensel mij bij de overlijdensaangifte mijner kinderen toevoegde: “Het is zeer goed, nu hebben zij een beteren vader.” Daar had hij wel gelijk in, maar ik voelde een andere bedoeling en antwoordde er allen met ”ja” op.”
Het lukt hem(in 1915) zijn kinderen onder te brengen (in diverse kloosters !!??) en vertrekt naar Heeze, waar vooral ’s-zomers veel kunstschilders uit binnen en buitenland komen om er te schilderen, o.a. ook zijn zoon Anton. In 1917 was hij in Roermond aanbeland. In die stad werd de bekende bouwmeester Dr.P.J.H. Cuypers, die aldaar raadslid was, gehuldigd met zijn 90e verjaardag en Jan Kruysen schilderde daarvoor diens portret, dat in de raadszaal kwam hangen.
In die tijd werd hij ook geattendeerd op het werk van Toorop. Dit werk kon hem niet ontroeren. In de zomer van 1925 even voordat Jan Toorop een verlamming kreeg en feitelijk niet meer kon werken begon Jan Kruijsen met houtskool tekeningen op verzoek van een dokter die hem vroeg van hem een tekening te maken. De kop van deze tekening was omringd door lijnenspel wat niet de bedoeling van Jan was.
Terug in Oirschot ging hij met tekenen verder en de tekeningen volgden elkaar op in steeds sneller tempo: Beeltenissen van heiligen en van gewone mensen uit Oirschot.
(Tekeningen van Jan Kruysen zijn opgenomen als bijlagen in het boek over Jan Kruysen door zijn vriend. (Onder andere van: Petrus Donders (blz. 19) Joost van den Vondel (blz. 19) Guido Gezelle (blz. 21) en achterin nog kleine afdrukken met o.a. Oirschotse Mie.)
Op de bovenzijde van de tekening van Joost van den Vondel zijn 51 kruisjes aangebracht.
In de veertiger jaren hing in de trouwzaal van het gemeentehuis in Oirschot een dergelijk groot kunstwerk. Wat het voorstelde weet ik niet meer en ook niet waar het gebleven is.
Noot bij de afbeelding van Pater Petrus Donders
Peerke Donders had als Redemptorist onder de melaatsen gewerkt en eigenhandig hun wonden verbonden. De gracieuze en speels getekende figuur is als het ware met windselen en banden bekleed in plaats van met een toog.
Op 31 juli 1924 vestigde Jan zich in Oirschot, nadat hij in 1923 in Opper Silezië is hertrouwd met Martha Menzel, een oorlogsweduwe met een dochter en zal daar de laatste 14 jaren van zijn leven blijven. Hij ging naar de Boterwijksestraat: (tegenover de familie Van Hersel, Boterwijksestraat 2
Bedevaartgangers gingen vroeger naar de kapel van de H.Eik: via de Nieuwstraat-kapelpad naar het kerkhof, achteraan het kerkhof rechts langs de weilanden – een honderd meter verder links dat pad volgen tussen de weilanden door tot aan de Boterwijksestraat. Aan het einde van die pad stond (links) een boerderijtje van de familie Jan Huijskens van Gestel. Ergens in dat pand ging Jan Kruysen met gezin wonen. Eigenhandig heeft hij toen een houten atelier gebouwd, dat in een mum van tijd vol was met schilderijen. In die tijd ben ik wel eens bij hem geweest als ik naar de H.Eik ging. Het was er altijd gezellig en Jan was een gezellige verteller.
Later is zijn houten woning met schilderijen afgebrand. De verdere geschiedenis hiervan weet ik niet.
Om iets meer van Jan Kruysen te weten te komen noteer ik hier enige zinnen uit zijn vele brieven die hij schreef aan zijn vriend Henri en die ik genomen heb uit het boek ‘OVER JAN KRUIJSEN DOOR ZIJN VRIEND.
“Wat begin heeft, dat heeft een einde; daarom moet in alles iets van het oneindige zijn. Doch wij moeten ook offers brengen om de Liefde in ons gaande te houden; want uit ons zelven vervallen we spoedig in armoede. Daarom is het noodig altijd dankbaar te zijn. Gods goedheid was het, die ons katholieke ouders gaf; daardoor lag van af den beginne een geloof in ons en hebben wij op anderen een grooten voorsprong.
Zoo mag ik weer door Gods goedheid en Zijne genade spreken van een groot geluk. Mijne vrouw, Martha, zal namelijk met Paschen katholiek worden uit overtuiging. Heerlijk voor mij zoo iets te beleven en dagelijks te ondervinden hoe schoon de mensch is, die kinderlijk gelooft. Ja, wij zijn zeer gelukkig”
Dat alles maakt mij zoo gelukkig. Het is meer dan schilderen, ja, duizend maal meer waard dan de schoonste schilderij.” (Geschreven op 23 februari 1924 vanuit Dirsdorf)
Op 6 mei 1924 schrijft hij vanuit Dirshof. “Beste vriend Henri. Nog eenige weken en we hopen in Holland te zijn. De schilderstukken heb ik gisteren naar Aaken verzonden. Nu zullen ze spoedig in uw bezit zijn en kunt ge weer genieten. Er is een mooie tekening voor u bij.
Verder alles goed en we zijn zeer gelukkig. Ik zing gelijk het vogelenheir en ben de gelukigste mensch op aarde…….. Waar gaan we heen? Eene toekomst gaan we tegemoet, zooals de wereld er nog geene gekend heeft. Een monster, een vandalistisch monster, dat alle verslinden zal. Ze zullen God tarten, hoonen en vervloeken. Een strijd tusschen hemel en hel, dien zullen wij beleven. Gezift zullen we worden, het middeltype zal verdwijnen; de aarde zal schudden op hare grondvesten.
Er leeft een God! Ze zullen verstommen en dan, ja, dan zal een nieuw geslacht verrijzen, zingende en lovende den Heer. Ja Henri, die tijd is nabij. Doch verheug je, want door zulke omstandigheden kunnen we goedmaken, wat we schuldig zijn. Ik jubel en ben als de vogels zoo vrij en blij, want God is groot en Zijne goedheid dwingt ons.
Hij besluit deze brief met ‘Heb vele groeten van ons beiden. Uw vriend Jan.’ ”
( ‘Over Jan Kruysen door zijn vriend’ (Herinneringen aan den genialen kunstenaar JAN KRUYSEN) en (Gegevens uit ‘Jan Kruijsen in Oirschot’ – ‘Een expositie 6 t/m 27 november 1988).
Begin augustus 1938 begon de schilder zich onwel te voelen. Op 20 september vond de huisarts het raadzaam hem te laten opnemen in het St. Josephziekenhuis aan de Aalsterweg te Eindhoven. Op 6 oktober naderde zijn einde. In die laatste uren was hij volkomen rustig; onbewogen waren zijn ogen voortdurend op het kruisbeeld gericht, dat hem door zijn dochter Maria voorgehouden werd.
”En zo gaf hij dien Donderdagavond om kwart over elf in den ouderdom van bijna 64 jaren en in volkomen berusting, zijnen geest en zijn gave terug aan den Schepper van alle Schoonheid. Zijn offer was volbracht De begrafenis had in alle eenvoud en stilte plaats op 10 oktober 1938. Als misdienaar mocht ik daarbij behulpzaam zijn, hetgeen ik toen als een eer beschouwde. Daar hij autodidact was werd hij niet overal bekend, maar voor Oirschot was het de geniale man, zoals zijn vriend Henri hem beschreef. Hij heeft mij verschillende keren op de markt in Oirschot aangesproken en ik liep dan al pratende met hem mee tot bij de Molenstraat waar hij ging buurten bij Jan de Smid in de smederij.

(Als dorpsomroeper was Jan altijd ‘in het pak’. Wat ik me wel is dat er aan de dorpskant van het kanaal, (plaatje 177) thans afgebroken) een noodslachthuisje stond. Was daar een noodslachting geweest dan deed Jan (later Sjef Smeets) zijn ronde door het dorp en deelde mee wanneer er (goedkoop) vlees werd verkocht. (o.a. noodslachtingen). Na het bericht riep de omroeper “Zegt het voort, zegt het voort”.
Pierre Louwers, jongste zoon van Jan Louwers, de gemeenteopzichter, is daar met zijn bedrijf als smid begonnen.
Jan en zijn echtgenote vierden op 22 april 1933 hun gouden bruiloft, waarvoor het gehele dorp was uitgelopen. (Zie plaatje nr. 173) Natuurlijk was harmonie ‘Arti et Amicitiae’ van de partij en werd het mirletongezelschap de ‘Heidevink’ opgericht en trad als muziekgezelschap voor het eerst naar buiten. (Op plaatje 173 met witte petten) De “Heidevink” bestond uit zangers van een Oirschotse zangvereniging, waarvan o.a. de gebroeders van Kollenburg *) (Je zou kunnen zeggen de Kollybrothers senioren) lid waren. In het bestuur zat o.a. Bert Phillippart, die met zijn zonen een kleermakerij had in het pand waar thans ‘Blokker’ gevestigd is en had tevens een handelsbureau in o.a. rubber vloermatten, rubber stoelkussens etc.. Advertentie in OIRSCHOT, uitgave met medewerking van het gemeentebestuur Oprichter en Dirigent was Sjef Smits die een bakkerij had in de Rijkenssluistraat, die overgenomen werd door zijn zoon Klaas. Thans is het een restaurant. De ‘Heidevink’ bestond uit zangers die een instrument (van hout of metaal) hadden gemaakt waaraan een mirliton bevestigd was. Een melodie zingen was voldoende.
*) De gebroeders van Kollenburg waren: Willem, Jan, Herman, Piet, Sjef . De Kollybrothers waren zonen van Herman.
Het toenmalige vaandel is inmiddels in het bezit van de heemkunde.
Jantje van Esch, zoals hij in Oirschot bekend was, is als omroeper opgevolgd door Sjef Smeets (Tu) Dat was de laatste omroeper. Hij woonde aan de rechtse kant van de Oude Grintweg, waar hij een schoenmakerij had.
Aangehaalde lectuur en JSm)

336
336

Arnold Fey jr. werd geboren te Oirschot rond 1633 als zoon van Arnold Fey sr. en Maria Claessen. Hij overleed in 1679 in het Duitse Kranenburg. Het eerst en het meest is Fey bekend geworden door zijn operaties van borstkanker. Het huidige Hof van Solms is oorspronkelijk gebouwd door Arnold Fey als zijn nieuwe woning.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Arnold Feij of Fey was de zoon van Arnold Feij sr. en Maria Claessen. Senior was een middelmatig chirurgijn-barbier en was verantwoordelijk voor de gezondheid van de leden van het kapittel van Oirschot. (de leden van het kapittel behoorden tot een dom- of collegiale kerk, vergadering van afgevaardigden van een klooster of ridderorde, om gezamenlijk te waken over de belangen.)
Arnold jr. (1610-1670) (jaartallen uit: Encyclopedie Van Noord Brabant-Anton van Oirschot) had gestudeerd aan de chirurgijns opleiding te Oirschot. Deze opleiding kwam voort uit de werkzaamheden van Silvester I Lintermans uit St. Truiden, (België), die in 1555 in Oirschot kwam wonen en het chirurgijnsvak van generatie op generatie doorgaf met inachtneming van de nieuwste ontwikkelingen.
Zo kwam Arnold jr. in de leer bij Silvester IV Lindemans, waar hij zich tot een voor die tijd bekwaam chirurgijn ontwikkelde. Feij jr. is vooral bekend geworden door zijn operaties van borstkanker en hazenlip. Ook was zijn specialisme het toepassen van steuncorsetten bij rugafwijkingen.
In tegenstelling tot het hiervoor vermelde was Arnold Feij geboren in Oirschot rond 1633 en overleden in Kranenburg (district Kleef, Duitsland in 1679.
Naast lof oogstte Feij ook veel kritiek. Hij beweerde dat het mes dat hij gebruikte bij zijn operaties altijd succes bleken te zijn, omdat hij gebruik maakte van het mes dat hij bij sectie op het lijk van de volksheilige Maria van Valkenisse (de heilige Non) gebruikte.
In het tijdschrift, zoals de Hollandtze Mercurius, werd de spot met de man gedreven voor een dergelijke bewering, te meer omdat hij geen universitaire opleiding had.Lodewijk XIV zou hem ooit de kwakzalver van de Meijerij hebben genoemd.
(Uit Wikipedia-Arnold Feij/JSm)

338
338

Karmelietes Maria Margaretha van Valckenisse, ook bekend als Maria Margaretha der Engelen.

Zij is in 1624 tot de Antwerpse Karmel toegetreden en geniet door haar extreme levenswijze een reputatie van heiligheid. Zij verlaat in 1644 Antwerpen om met enkele medezusters een nieuw klooster te stichten in Oirschot.
Maria Margaretha’s reputatie van heiligheid blijft ook in Oirschot groeien. ‘De Heilige Non’, zoals zij in de volksmond genoemd wordt, heeft voorspellende dromen, kan op twee plaatsen tegelijk zijn en ontvangt in 1654 stigmata. Dat zijn vlekken of wonden aan de lichaamsdelen (handen en voeten) waar Christus verwondingen had bij zijn kruisiging. Zij sterft op 5 februari 1658 in een ‘geur van heiligheid’. Haar lichaam wordt opgebaard in de kloosterkapel. Opmerkelijk genoeg vertoont het lichaam, volgens de betrokkenen, geen enkel teken van bederf en wordt het niet stijf. Wel komen er grote hoeveelheden olieachtige vloeistof uit die een heilzame werking zou hebben.

Aanvulling van Sjef Smetsers

Ook wel genoemd Maria ab Angelis (Maria der Engelen) en Maria van Valckenisse. Op 26 mei 1605 werd de Heilige Non in Antwerpen geboren als dochter van Filips van Valckenisse, die secretaris was van de stad Antwerpen.
In 1624 trad zij toe tot de Carmelitessen van Antwerpen, waar ze als kloosternaam Maria ab Angelis aannam. Door haar extreme verstervingen kreeg zij al snel een faam van heiligheid
Op 21 mei 1644 stichtte zij onder bescherming van Frederik Hendrik, een klooster in Oirschot, waarvan zij priorin werd. Dit klooster was gevestigd in huis Bleijendaal in de huidige Nieuwstraat. (zie ook plaatje 129)
In 1654 ontving zij de stigmata, de kruiswonden zichtbaar op het lichaam van de gelovige, precies op de plaatsen van het lichaam waar Jezus voorafgaand aan zijn kruisdood werd verwond. Het geloof in Jezus is zo intens dat men letterlijk de pijn van die kruiswonden ervaart. Zij overleed op 5 februari 1658.
Na drie dagen voerde Arnold Fey sectie op het lichaam uit en ontdekte allerhande wonderlijke zaken. Ook zou het mes waarmee hij de sectie had verricht geneeskrachtige gaven hebben,
Een olie zou na twee maanden uit haar lichaam zijn gaan vloeien die een geneeskundige werking zou hebben.
Haar lichaam werd begraven maar in 1662 weer opgegraven en in een open kist in de kapel opgebaard. Daarop werd het lichaam bijgezet in de doopkapel van de Sint-Janskathedraal.
In 1795 werden een aantal beenderen opgegraven, die door de pastoor van Leefdaal zijn opgehaald. Een gedeelte hiervan is in 1931 opgehaald naar Oirschot, toen daar een nieuw Karmelietessenklooster werd gesticht.
Bisschop Hurkmans van ’s-Hertogenbosch vaardigde in 2014 een edict uit om een proces van zalig- en heiligverklaring van de zuster te starten. Zijn opvolger Mgr. De Korte heeft in juni 2018 besloten het proces stil te leggen, omdat het niet realistisch is, mede gezien de devotie voor Maria Margaretha. Er zou te weinig bewijsmateriaal voor zijn.
Pastoor Leendert Spijkers heeft dit erg betreurd, temeer omdat er serieus veel werk van gemaakt was.
(Verschillende bronnen geraadpleegd. Deze zijn wel aanwezig.)

339
339

Willem Francis Guljé is geboren te Helmond op 11-03-1777 als zoon van Petrus Franciscus Guljé en Johanna Catharina Coolen. Hij is op 30-12-1810 te Oirschot getrouwd met Jacoba Antonia van Baar, geboren te Sint-Oedenrode op 29-09-1787 als dochter van Jan Baptist van Baar en Anna Judith Wilhelmina de Laure. Willem Francis Guljé, kasteelheer te Asten, behoorde tot een welgestelde katholieke familie. Naast het kasteel waren er ook twee boerderijen, een windmolen en een perceel grasland. Het landgoed mat in totaal 68 hectare Hij kreeg jacht- en visrecht, en ook het tiendrecht. Voorts was hij gerechtigd om te Vlierden een watermolen te bouwen. Hij was kantonrechter in Oirschot, en bleef daar wonen. Het kasteel werd slechts als zomer- en jachtverblijf gebruikt. Hij zou de eerste van een nieuwe dynastie van kasteelheren worden.
Joannes Amandus Guljé was, evenals zijn vader, Willem Francis Guljé, een geziene huisarts te Oirschot en was belezen omtrent aardrijkskunde en geschiedenis. Toen hij kasteelheer van Asten was, in 1862, werd het tiendrecht afgekocht door een Tiendcommissie. Hij wilde dat recht echter alleen tegen een buitensporig hoog bedrag afkopen, waarop de commissie hem een heerlijke maaltijd aanbood, overvloedig begoten met wijn. Daarbij tekende hij terloops het afkoopcontract, een daad waarvan hij de volgende ochtend veel spijt had. Daarom kwam hij nooit meer in Asten en heeft nooit meer in zijn bezit geïnvesteerd. Joannes Amandus Guljé was ongehuwd. Na zijn dood kwam het bezit aan zijn zus, Maria Judith Guljé.

Aanvulling Sjef Smetsers

Jo(h)annes was de zoon van Willem Francis Guljé en Jacoba Antonia van Baar. Zij behoorden tot een welgesteld en katholiek gezin en kregen 5 kinderen waarvan Jo(h)annes Amandus het jongste kind was. Willem Francis leefde van 1777-1856 en was ook huisarts in Oirschot.
Ik maak hier een overstap naar de vader van Jo(h)annes, omdat onder de foto nog gesproken wordt over
‘bezitter kasteel Asten’ Het kasteel wordt voor het eerst vermeld in een koopakte uit 1432. Het betrof een versterkt huis (steenen huysinge) uit de eerste helft van de XVe eeuw. In de XVIe eeuw werd op dezelfde plaats een echt kasteel gebouwd. Dit werd door Bernard van Merode verbouwd tot een renaissance kasteel.
De oudste beschrijving van het kasteel dateert uit 1640. Deze beschrijving komt voor in een verkoopakte. De beschrijvingen bespaar ik jullie. Latere beschrijvingen stammen uit koopakten van 1760 en 1811.
Ik kom nu bij de aankoop van het kasteel door Willem Francis. Toen mat het landgoed in totaal 68 ha. Hij kocht het van de laatste Dordtse heer Cornelis Dupper en de kinderen van Leendert Dupper. Zodoende werd hij eigenaar van het kasteel in Asten van 1836-1858.
Bij de aankoop kreeg hij tevens tiendrecht *) en eveneens jacht- en visrecht.
Het landgoed werd slechts als zomer- en jachtverblijf gebruikt en daar hij ook kantonrechter was bleef hij in Oirschot wonen.
Terug naar Jo(h)annes Amandus Guljé.(1818-1892)
Hij was behalve een geziene huisarts in Oirschot zeer bekend met Aardrijkskunde en geschiedenis. In 1862, toen hij eigenaar van het kasteel was, werd het tiendrecht afgekocht door een Tiendcommissie. Hij wilde echter het tiendrecht afkopen voor een buitensporig hoog bedrag. De commissie bedacht een plan en bood hem een heerlijke maaltijd aan, waar de wijn rijkelijk vloeide en terloops tekende hij het afkoopcontract. Hij kreeg natuurlijk veel spijt. Dit is de reden geweest waarom hij nooit meer in Asten is geweest en nooit meer in zijn bezit geïnvesteerd heeft.
Johannes was ongehuwd en na zijn overlijden kwam het bezit aan zijn zus Maria Judith. (Het derde kind van het gezin Guljé-van Baar).

*) Tiendrecht is een vorm van winstbelasting. Oorspronkelijk bedroeg deze een tiende deel van de oogstopbrengst. In de bijbel werd al gesproken (Deuteronomium 12:11) over het afdragen van tiende van de oogst aan de Joodse Tempel. In Europa werd door de Romeinen de tiende al ingevoerd en onder de Franken, in ieder geval te tijden van Pepijn III (714-768) gehandhaafd. De bedoeling was een belasting, die moest dienen ter financiering van de armenzorg, het levensonderhoud van parochiepriesters en de instandhouding van kerkgebouwen. Van het tiende deel werd een derde deel bestemd voor sociale werken, een derde deel van de tiende kwam toe aan de dorpspastoor en een derde aan de parochiekerk.
De wet over het tiendrecht is in principe een kerkelijke en sociale belasting maar kwam toch op sommige plaatsen in het lekenbezit terecht. Zoals hierboven is aangegeven was het tiendrecht een kerkelijke en sociale belasting dus ook bedoeld voor levensonderhoud van parochiepriesters.
Waren de acties van de kerk hiervan een uitvloeisel? Later! en dan denk ik aan de jaren dertig/veertig van de vorige eeuw. Parochianen (meestal landbouwers) deden giften in nature aan de pastoor zijnde een tiende deel van de oogst, hier een uitvloeisel kunnen zijn.
Dit was onder andere gewoonte in de dorpen onder andere in Oirschot en verschillende, zo niet alle, kempische dorpen? Ook was het gebruikelijk dat de landbouwers, als er een varken geslacht werd, het beste deel hiervan, de karbonade, naar de pastoor brachten. Ik heb op 14-3-2021 bij een belanghebbende boer geïnformeerd. In zijn gezin werden elk jaar drie varkens geslacht en één karbonade was voor de pastoor. De hierboven aangehaalde gebruiken kon hij ook bevestigen. Ook deelde hij mee dat de huishoudster van de pastoor een rondgang rond Pasen bij kippenbedrijven deed voor eieren. Verder zorgde de boeren voor een kar mest, die bij de tuin van de pastoor geleverd werd. De pastoor had hiervoor en lijstje en als iemand dan een kar mest moest brengen kreeg hij bericht. Dit om te voorkomen dat het ‘mestprobleem’ zou stagneren.
(Overigens voor hen dit niet weten: Pastoor Beekmans, Oirschottenaar van geboorte werd in mei 1940 in Vessem benoemd als pastoor.)
Tegenwoordig is er voor alle parochianen een regeling om, zo men wenst, een bedrag per jaar beschikbaar te stellen.
(Verschillende bronnen zijn geraadpleegd. Deze zijn wel aanwezig. JSm.)